Overzicht van modale werkwoorden
Kunnen: mogelijkheid, bekwaamheid (Ik kan zwemmen).
Moeten: noodzaak, verplichting (Je moet nu gaan).
Mogen: toestemming (Je mag op school niet roken.)
Willen: wens (Ik wil eten).
Hoeven: geen noodzaak ("Je hoeft niet te blijven").
Zullen: waarschijnlijkheid, toekomstige actie (Hij zal wel komen).