Grammar 6 - Modals

Modals with negations
Modal is een hulpwerkwoord. Dit hoofdstuk behandelen we: 
can, could & to be able to. 

Maar er zijn er meer --> should, to have to, must 

Als je - to be able to - gebruikt veranderd to be altijd naar:
am/is/are/was/were - Are you able to help me?


1 / 21
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3

This lesson contains 21 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Modals with negations
Modal is een hulpwerkwoord. Dit hoofdstuk behandelen we: 
can, could & to be able to. 

Maar er zijn er meer --> should, to have to, must 

Als je - to be able to - gebruikt veranderd to be altijd naar:
am/is/are/was/were - Are you able to help me?


Slide 1 - Slide

Modals with negations - gebruik
can: om verzoeken te doen, toestemming te vragen of te geven, het hebben over mogelijkheden en bekwaamheden.

to be able to: praten over iemands mogelijkheden en bekwaamheden.

could: verleden tijd van can.
Deze gebruik je bij formelere/beleefdere vragen en als je spreekt over dingen die mogelijk gebeuren in de toekomst. 


Slide 2 - Slide

For example: 
Can you pass me the salt --> hier vraag je of iemand de mogelijkheid heeft om je het zout door te geven. 

Luckily, I was able to help. --> hier geef je aan dat je in staat was om te helpen (je was niet verhinderd) 

Could you repeat that please? --> hierin vraag je op een nette manier of iemand dat wil herhalen waarschijnlijk tegen iemand die ouder is dan jij.

Slide 3 - Slide

Negations
Negation = ontkenning. 


Je maakt een ontkenning door: not achter het hulpwerkwoord te plakken. 
Let op! bij een ontkenning met have to plak je er een vorm van to do bij. --> I don't have to do the dishes. 
cannot - can't
could not - couldn't
should not - shouldn't
must not - mustn't
am not able to - etc.

Maar:
don't/doesn't have to


Slide 4 - Slide

Are you able to understand?

Slide 5 - Slide

Modal verbs 
Om aan te geven dat je iets kan, moet, mag, zou moeten, niet mag, niet kan etc. etc. gebruik je modale hulpwerkwoorden oftewel modal verbs. 

Een modal verb in zijn eentje komt niet voor: er volgt altijd een ander werkwoord op. Je mag IETS niet, je moet IETS. Dat IETS geef je aan door een ander werkwoord. 

Slide 6 - Slide

Bekijk de volgende zinnen goed. 
I can swim; I learnt is when I was five years old. 
My brother and sister can play football really well 
Can you help me with this? 
I can speak four languages 
On Saturdays, I can stay up late. My parents don't mind. 
You can't park here, look at the sign, it's forbidden. 
You can't talk when the teacher is explaining things 

Slide 7 - Slide

Wat betekenen can en can't?
A
Can = kunnen en mogen, can't is niet kunnen en niet mogen
B
Can = kunnen, can't is niet kunnen
C
Can = mogen, can't = niet mogen
D
Can = moeten, can't = niet moeten.

Slide 8 - Quiz

Lees nu deze zinnen 
You must do your homework, it is a school rule. 
We must work hard in school in order to do well. 
He must remember to buy a birthday present for his mother. 
You mustn't spend so much time on your Playstation. 
I mustn't argue with my parents all the time 

Slide 9 - Slide

Wat betekenen must en mustn't?
A
Must betekent mogen, mustn't betekent niet mogen
B
Must betekent moeten, mustn't betekent niet hoeven
C
Must betekent moeten, mustn't betekent niet mogen
D
Must betekent moeten, mustn't betekent mochten

Slide 10 - Quiz

Kijk tenslotte naar deze zinnen 
You look tired, you should go to bed earlier.
You should take your school work more seriously
He should be nicer to his parents 
You shouldn't smoke, it's bad for you 
You shouldn't argue with your sister all the time.
I really shouldn't be on my Playstation during class. 

Slide 11 - Slide

Wat betekenen should en shouldn't?
A
Should betekent moeten, shouldn't betekent niet moeten
B
Should betekent zou (eigenlijk) moeten, shouldn't betekent zou (eigenlijk) niet moeten
C
Should betekent zou niet moeten, shouldn't betekent zou moeten
D
Should betekent moeten, shouldn't betekent niet mogen.

Slide 12 - Quiz

Slide 13 - Slide

Vorm 
Bijna alle modal verbs, behalve "have to" en "be able to" die je ook moet kennen, hebben maar EEN vorm, voor alle personen. Ze worden altijd gevolgd door een ander werkwoord in de infinitief (hele werkwoord) 

Slide 14 - Slide

Modal verbs
Can & to be able to 
Gebruikt voor possibility, ability, request & permission
We can order pizza if you want.
I can speak 3 languages. Are you able to listen?
Can I go to the bathroom? 


Slide 15 - Slide

Modal verbs
Could
Gebruikt voor possibility & polite request
We could do that tomorrow.
Could you pass me my phone, please?

Slide 16 - Slide

Modal verbs
Must, have to and should
Gebruikt wanneer je iets MOET doen en voor adviezen
You must listen to me.
You always have to do your homework.
You should watch Squid Game.

Slide 17 - Slide

(-)
My brother ... come tonight.

A
can
B
doesn't can
C
can't
D
comen't

Slide 18 - Quiz

Sorry, I ..... come to your party tonight. I ..... visit you tomorrow!
A
can/can't
B
can't/ couldn't
C
could/can
D
can't/can

Slide 19 - Quiz

Fill in must or mustn't:
They ... play with fire. It's dangerous!
A
must
B
mustn't

Slide 20 - Quiz

Wat is het verschil tussen de modal should & must?
A
must is krachtiger
B
should is krachtiger

Slide 21 - Quiz