H7.3 Ecosystemen

Hoofdstuk 7 Ecologie
7.3 Ecosystemen
1 / 23
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 23 slides, with interactive quiz and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Items in this lesson

Hoofdstuk 7 Ecologie
7.3 Ecosystemen

Slide 1 - Slide

Speedrun
J of OJ?
1. De hoeveelheid voedsel in de omgeving is een voorbeeld van een abiotische factor
2. Alle bullfrog kikkers in dezelfde sloot vormen 1 populatie
3. Een tolerantiecurve beschrijft hoeveel variatie in een abiotische factor een soort kan verdragen
4. Een symbiose waarbij beide soorten voordeel hebben noemen we een commensalisme
5. Bij intraspecifieke relaties kan er sprake zijn van concurrentie of cooperatie
6. De draagkracht van een ecosysteem bepaald hoe groot een populatie kan worden in een ecosysteem
7. Als de draagkracht van een ecosysteem wordt overschreden zien we vaak een grote toename in het sterftecijfer
8. De grotere populatiedichtheid leidt tot meer concurrentie, ziekte, predatie en daardoor tot een grotere sterfte

timer
2:00

Slide 2 - Slide

Leerdoelen 7.3
  1. Je kunt de voedselrelaties en de informatienetwerken in een ecosysteem beschrijven
  2. Je kunt de energiestroom door een ecosysteem beschrijven

Slide 3 - Slide

Voedselketen
Een voedselketen geeft de voedselrelaties in een ecosysteem weer. De voedselketen geeft aan hoe een reeks populaties met elkaar verbonden zijn. 

Slide 4 - Slide

Voedselweb
  • In een ecosysteem lopen diverse voedselketens door elkaar
  • De diverse voedselketens vormen dan een voedselweb

  • Planten beschermen zichzelf tegen vraat van insecten d.m.v. doornen of signaalstoffen. De signaalstoffen worden opgevangen door de planten in de omgeving die vervolgens gifstoffen produceren tegen de insecten.

Slide 5 - Slide

Op wisbordje:
Op een zonnige dag staat het weiland vol met grassen en wilde bloemen. Een sprinkhaan knaagt aan de grassprieten. Een veldmuis zoekt ook zijn maaltje tussen het gras. De torenvalk cirkelt hoog boven het weiland en duikt naar beneden zodra hij een sprinkhaan of een veldmuis ziet. Maar de veldmuis eet niet alleen gras — hij knabbelt ook graag aan de zaden van wilde bloemen. En de torenvalk is niet de enige vijand van de sprinkhaan: soms pikt een ooievaar hem zo op van de grond.

Teken het bijbehorend voedselweb op je wisbordje.

Beantwoordt de volgende vragen:
1. Welke soorten zijn autotroof?
2. Wat is een mogelijke beperkende abiotische factor voor de populatie veldmuizen?

Slide 6 - Slide

Lezen blz. 179-181
Tekstbegripsvragen:
1. Wat betekend het begrip assimilatie?
2. Welke groep in de voedselkringloop is verantwoordelijk voor de koolstofassimilatie?
3. Welke groepen in de voedselkringloop doen aan voortgezette assimilatie?
4. Welke groepen in de voedselkringloop doen aan dissimilatie?
5. Welke groep in de voedselkringloop zorgt dat de producenten mineralen krijgen voor voortgezette assimilatie?


timer
8:00

Slide 7 - Slide

Afvaleters
  • Dode resten van organismen kunnen worden gegeten door afvaleters (detrivoren). 
  • De afvaleters zijn net als alle andere dieren consumenten in de voedselketen.

Slide 8 - Slide

Reducenten
De overgebleven dode resten worden door bacteriën en schimmels (reducenten) afgebroken tot anorganische stoffen (koolstofdioxide, water, mineralen). Dit proces heet mineralisatie. Producenten hebben de mineralen weer nodig voor de assimilatie. Reducenten sluiten dus de kringloop.

Slide 9 - Slide

Kringloop van stoffen

Slide 10 - Slide

Op je wisbordje:
  1. Waar halen producenten de energie vandaan dat nodig is voor de koolstofassimilatie?
  2. Wat is de reactievergelijking van de fotosynthese?
  3. Maak een aanpassing aan je reactievergelijking waardoor het nu de reactievergelijking van verbranding wordt
  4. Koppel de begrippen met de letters aan de begrippen met de cijfers.
     A. Assimilatie en B. dissimilatie. 1. Verbranding. 2. Fotosynthese

Slide 11 - Slide

Leerdoel 2
Je kunt de energiestroom door een ecosysteem beschrijven

Slide 12 - Slide

Energiestromen
  • Elke schakel in een voedselketen heet een trofisch niveau.
  • In het eerste niveau bevinden zich de autotrofen. Zij produceren organische stoffen uit anorganische stoffen d.m.v. fotosynthese.
  • De autotrofen worden daarom de producenten genoemd.
  • De overige trofische niveau's worden consumenten genoemd.

Om de positie binnen de voedselketen aan te geven wordt in de trofische niveau's van de consumenten aangegeven in welke orde ze zitten.

  • De 1e groep consumenten worden de consumenten van de 1e orde genoemd. De 2e groep consumenten van de 2e orde etc. 

Slide 13 - Slide

Energiestromen
  • Opbouw van organische moleculen uit kleinere moleculen wordt assimilatie genoemd.
  • Bij assimilatie wordt energie vastgelegd.
  • De afbraak van grote organische moleculen naar kleine moleculen wordt dissimilatie genoemd. 
  • Bij dissimilatie komt energie vrij. 
  • Producenten kunnen glucose vormen vanuit anorganische stoffen. Dit noemen we koolstofassimilatie. 
  • Bij voortgezette assimilatie wordt van glucose nog grotere organische stoffen gevormd zoals vetten, eiwitten en koolhydraten.
  • Voor voortgezette assimilatie hebben planten en dieren mineralen nodig

Slide 14 - Slide

Bespreken met je buurman:

1. Wat betekend het begrip assimilatie?
2. Welke groep in de voedselkringloop is verantwoordelijk voor de koolstofassimilatie?
3. Welke groepen in de voedselkringloop doen aan voortgezette assimilatie?
4. Welke groepen in de voedselkringloop doen aan dissimilatie?
5. Welke groep in de voedselkringloop zorgt dat de producenten mineralen krijgen voor voortgezette assimilatie?


Slide 15 - Slide

Energiestromen

Slide 16 - Slide

Piramiden en stromen in ecosytemen
De organismen per trofisch niveau kun je weergeven in een ecologische piramide.

In de afbeelding zie je het aantal organismen en het totale gewicht van alle organische stoffen (Biomassa) per trofisch niveau.

Slide 17 - Slide

Piramide van aantallen
Piramide van biomassa

Slide 18 - Drag question

Energiestroom
  • In een voedselpiramide wordt een deel van de biomassa doorgegeven aan het volgende trofische niveau.
  • Bij iedere stap gaat energie verloren door dissimilatie, afgestorven weefsel en onverteerd weefsel (ontlasting).

Slide 19 - Slide

Alles draait om de zon

  • Producenten
  • Consumenten (1e orde, 2e orde)
  • Elk hoger trofisch niveau neemt energie op uit het voorgaande
  • ...zelfs als je uitkomt bij fossiele brandstoffen, want die zijn gevormd uit organisch materiaal 

Slide 20 - Slide

Uitlegafsluiter:
J of OJ?
1. Het vormen van een vet uit suikermoleculen is een voorbeeld van assimilatie
2. Fotosynthese wordt ook wel de koolstofdissimilatie genoemd
3. Alleen autotrofen zoals planten zijn in staat om van anorganische stoffen organische stoffen te maken
4. Je kunt als mens twee dingen doen met de verteerde voedingstoffen die je binnenkrijgt via je darmen: dissimilatie voor energie of assimilatie voor bouwstoffen
5. De afvaleters in de voedselkringloop zijn verantwoordelijk voor de mineralisatie waardoor planten weer mineralen hebben voor hun voortgezette assimilatie
6. Koolstofassimilatie = CO2 + H2O -> glucose + O2. Voortgezette assimilatie = Glucose + Glucose + Glucose -> Zetmeel
7.  Voor assimilatie is energie nodig 
8. Bij dissimilatie komt energie vrij 
9. Alleen de heterotrofen doen aan dissimilatie.
10. De reducenten in de voedselkringloop zijn de bacteriën en schimmels 


timer
3:00

Slide 21 - Slide

Maken opdracht 15, 16, 17 en 20
Na 10 minuten gaan we de opdrachten bespreken.

Ben je eerder klaar? Maak alvast opdracht 21!
timer
10:00

Slide 22 - Slide

Huiswerk

Leerdoelen:
  1. Je kunt de voedselrelaties en de informatienetwerken in een ecosysteem beschrijven
  2. Je kunt de energiestroom door een ecosysteem beschrijven

Slide 23 - Slide