Past simple/ present perfect

Past simple / present perfect
1 / 31
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 31 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Past simple / present perfect

Slide 1 - Slide

leerdoel
Na het volgen van deze les, Heeft de leerling meer kennis over de past simple en de present perfect en kan dit aantonen door het succesvol afronden van de opdrachten.

Slide 2 - Slide

past simple
wanneer: Iets is in het verleden gebeurd en opgehouden. (dus echt voorbij!)
hoe: werkwoord + ed
werkwoord  eindigt op een -E? -> dan alleen een -d toevoegen
vb: present simple: I bake a cake
past simple: I baked a cake last week (so not bakeed)
werkwoord eindigt op medeklinker en dan een -Y -> dan wordt het ied 
vb: present simple: I try to make a little change
past simple: I tried to make a little change yesterday (so not tryd or tryed)
but play changes in to played en not plaied because of the A (klinker)-y
vaak staat er een tijdbepaling in: yesterday, last week, a year ago, last year, 1987, 2017, a couple of days ago, last months etc (kunnen zowel vooraan als achteraan in de zin staan)

Slide 3 - Slide

extra uitzonderingen op +ed regel

Werkwoorden die eindigen op -c, krijgen -ked erachter:
vb: to panic: She panicked when she heard the bad news.

Werkwoorden die kort zijn, één klinker in zich hebben en waarbij maar één klemtoon mogelijk is, schrijf je met een extra laatste medeklinker voor -ed:
vb: to swap: They swapped their Ipods to listen to each others music.
Werkwoorden die eindigen op een l, met één klinker ervoor krijgen een extra l:
vb: to travel: We travelled to Africa last summer

Slide 4 - Slide

Pas op! Onregelmatige werkwoorden
Sommige werkwoorden zijn onregelmatig, die hebben een eigen vorm. Die vorm moet je uit je hoofd leren. 
bijvoorbeeld: 
Eat- Ate- Eaten (eten)
Freeze- Froze- Frozen (vriezen)
Go- Went- Gone (gaan)
Ring- Rang- Rung (bellen)
Dit noemen we de tweede vorm omdat ze altijd in dezelfde volgorde aangeboden worden. 

Slide 5 - Slide

voorbeelden
I talked to my teacher yesterday. (+ed)
Last Sunday we listened to the press conference. (+ed)
An hour ago we walked in the park. (+ed)
I worked on my schoolwork today. (+ed)
She studied for the test. (y -> ied)
They wrote letters last night (2e rijtje bc irregular verb)
She paid for her groceries (2e rijtje bc irregular verb)

Slide 6 - Slide

vragen:
  • In de present simple gebruiken we do/does als we vragen willen stellen.
  • In de past simple gebruiken we did (vt van do) als we vragen willen stellen.
  • Als je did gebruikt in de verleden tijd gebruik je gewoon het hele werkwoord daarna en niet de verleden tijd vorm.
 

Slide 7 - Slide

voorbeelden van vraagzinnen
Did you talk to the teacher yesterday?
Did we listen to the press conference on Sunday?
Did we walk in the park an hour ago?
Did he work on his school work today?
Did they write letters last night?
Did she pay for the groceries?
(dus hier geen 2e rijtje of verleden vorm gebruiken bij het hoofdwerkwoord!)

Slide 8 - Slide

ontkenningen  
  • In de present simple gebruiken we don't/doesn't als we ontkenningen willen maken.
  • In de past simple gebruiken we didn't (vt van do) als we ontkenningen willen maken.
  •  Als je didn't gebruikt in de verleden tijd gebruik je gewoon het hele werkwoord daarna en niet de verleden tijd vorm.

Slide 9 - Slide

voorbeelden van ontkenningen
I didn't talk to the teacher yesterday.
We didn't listen to the press conference last Sunday.
We didn't walk in the park an hour ago.
He didn't work on his schoolwork today.
They didn't write letters last night.
She didn't pay for her groceries.
(dus hier geen 2e rijtje of verleden vorm gebruiken bij het hoofdwerkwoord!)

Slide 10 - Slide

samenvattend
  • Als je wil praten over iets dat in het verleden is gebeurd dan zet je bij regelmatige werkwoorden -ed achter het werkwoord.
  • Vaak staat er ook een tijdbepaling in dat verwijst naar een moment in het verleden.
  • Als je vragen maakt gebruik je did en zet je het hoofdwerkwoord niet in de verleden tijd.
  • Als je ontkenningen maakt gebruik je didn't en zet je het hoofdwerkwoord niet in de verleden tijd.

Slide 11 - Slide

present perfect, wanneer?
Wordt gebruikt als:
- iemand met iets in het verleden begonnen is en nog steeds doet 
- als iets in het verleden begonnen is en nog aan de gang is
- als het niet belangrijk is wanneer iets gebeurd is, maar iemand heeft iets gedaan of er is iets gebeurd waarvan de resultaten nog merkbaar zijn.
- Uitspraken over iemand tot nu toe.

Slide 12 - Slide

Present perfect bevestigend
 have/has (he/she/it) + ww + ed (of 3e vorm)

He can't play football, he has sprained his ankle. (resultaten zijn nog merkbaar)
We have lived here since 2018. (wonen er nog steeds, zie signaalwoord since)

Slide 13 - Slide

present perfect vraagzinnen
have/has vooraan in de zin + ww + ed of 3e vorm

Has he sprained his ankle?
Have you lived here since 2018?


Slide 14 - Slide

present perfect ontkenningen
have/has + not (n't) + ww + ed of 3e vorm. 

He hasn't sprained his ankle.
We haven't lived here since 2018.

Slide 15 - Slide

signaalwoorden
past simple: last week, yesterday, this morning, 2017, a week ago, 10 years ago etc

present perfect:  for (how long), yet, never, ever, just, already en since (ezelsbruggetje: FYNEJAS).

Slide 16 - Slide

samenvattend
bevestigend: have/has (he/she/it) + ww + ed (of 3e vorm)
He can't play football, he has sprained his ankle. 
We have lived here since 2018.
Vragend: have/has vooraan in de zin + ww + ed of 3e vorm 
Has he sprained his ankle?
Have you lived here since 2018?
Ontkennend: have/has + not (n't) + ww + ed of 3e vorm. 
He hasn't sprained his ankle.
We haven't lived here since 2018.

Slide 17 - Slide

Aan de slag/ huiswerk
De opdrachten die we niet afkrijgen tijdens de les worden huiswerk. Ik zal deze lesson-up in jullie mapje plaatsen op het lesson-up account van mevrouw van de Weerd. Ik zal hier een formatieve toets van maken (telt dus niet mee) maar ik wil wel graag dat het gemaakt wordt. Dit zodat ik zeker weet dat jullie dit onderwerp goed begrijpen. Succes

Slide 18 - Slide

My mom ... (work) for this company for seven years.
A
worked
B
has worked

Slide 19 - Quiz

You look tired. Yes, I ... (sleep) all night.
A
haven't slept
B
haven't sleeped
C
didn't sleep
D
slept

Slide 20 - Quiz

..... you ...... Thai food before?
A
has, eaten
B
have, eaten
C
have, eated
D
has, eated

Slide 21 - Quiz

She ... (leave)her phone in a taxi.
A
left
B
leaven
C
has left
D
has leaven

Slide 22 - Quiz

I ... never ... (go) to Italy before.

Slide 23 - Open question

... you ... (see) the the stars last night?

Slide 24 - Open question

I...(know) him for three months.
A
knew
B
have known
C
had known
D
have knew

Slide 25 - Quiz

What time (he/get up) yesterday?
A
has he gotten up
B
did he got up
C
did he get up
D
has he get up

Slide 26 - Quiz

I (receive) £300 when my uncle died.
A
received
B
had received
C
have received
D
did receive

Slide 27 - Quiz

I (not/drink) any beer last night.
A
did not drink
B
did not drunk
C
did not drank
D
haven't drank

Slide 28 - Quiz

We (wake up) very late.
A
have woken up
B
woked up
C
wake up
D
woke up

Slide 29 - Quiz

She (get on) the bus in the centre of the city. (past simple)

Slide 30 - Open question

Who .... he (meet) recently?

Slide 31 - Open question