H5 Sociale cognitie

1 / 97
next
Slide 1: Slide
Sociologie en psychologieSecundair onderwijs

This lesson contains 97 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 150 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

 Sociale Cognitie 
  1. Iedereen heeft vooroordelen.
  2. Ik merk dat anderen mij beoordelen op mijn uiterlijk.
  3. Aan iemands stijl (kleren, kapsel …) kan ik zien wat voor persoon het is.
  4. Ik ben mij bewust van de vooroordelen die ik zelf heb.
  5. Eenmaal een mening over iemand gevormd, is het moeilijk die te veranderen.
  6. Ik heb al gemerkt dat de eerste indruk over een persoon niet altijd klopt.

Slide 2 - Slide

 2. Eerste indruk 
Bekijk de foto's + beantwoord de vragen

  1. Welke indruk?
  2. Welke
    persoonlijkheidskenm.?

Slide 3 - Slide

 2. Eerste indruk 
Eerste indruk : uiterlijke kenmerken
  • Fysieke kenmerken
  • Verbale, non-verbale, subverbale taal
  • Gedrag
=> automatisch gekoppeld aan cognitieve schema's
  • info die samenhoort
  • referentiekader


Slide 4 - Slide

 2. Eerste indruk 
1. Impliciete persoonlijkheidstheorie 
  • verzameling van schema's over kenmerken van mensen
  • geheel van gelegde verbanden tussen uiterlijke en innerlijke eigenschappen
  • wit = kwaliteit => witte doktersjas wordt sneller aangesproken dan groene chirurg

Slide 5 - Slide

 2. Eerste indruk 
Welke associaties bij volgende kenmerken?
Zwaarlijvigheid :
  • lui, gezellig, ongezond
Tattoos : 
  • hip, cool, agressief, lagere sociale klasse
Bril :
  • slim, belezen, nerdy, saai,...

Slide 6 - Slide

2. Eerste indruk 
2. Primacy effect (voorrangseffect)
  • Bespreking Siska : Los de vragen op die je van de leerkracht krijgt.

  • Solomon Asch (1907-1996) =>
    informatie die je het eerst krijgt, heeft de grootste invloed op het totaalbeeld dat je van iemand vormt.


Slide 7 - Slide

2. Eerste indruk 
Solomon Asch

experiment

2 groepen
2 verschillende lijsten
                                     => 1e groep betere indruk

Slide 8 - Slide

2. Eerste indruk 
Experiment: 
2 groepen proefpersonen => opname vrouw - MK-vragen
  1. Ze gaf eerst veel juiste antwoorden, daarna foute
  2. Eerst veel foute antwoorden, daarna juiste

=> pp die eerste situatie observeerden, vonden vrouw intelligenter dan wie de 2e situatie had gezien.

Slide 9 - Slide

2. Eerste indruk 
3. Centrale kenmerken (Asch)

= kenmerken die zo opvallend zijn dat ze een grotere rol spelen.                bvb  eerlijk > linkshandig

=> heel krachtige invloed op de beeldvorming


Slide 10 - Slide

2. Eerste indruk 
Experiment Harold Kelley 
gastleerkracht => vooraf document met info ~ 2 = lessen
  1. kil, ijverig, kritisch, praktisch, vastberaden
  2. warm, ijverig, kritisch, praktisch, vastberaden
Na de les => mening over leerkracht noteren :
Groep 2 beoordeelde lkr vriendelijker en gezelliger + werkten actiever mee in de les.

Slide 11 - Slide

2. Eerste indruk 
Verklaring : warmte en competentie ~> 2 centrale kenmerken waarop mensen snel worden ingeschat. => evolutionair nut = overleven
 Welke informatie geven deze kenmerken?
  • warmte : persoon is vriend of vijand
  • competentie : pers. kan me al dan niet helpen om een probleem op te lossen

Slide 12 - Slide

2. Eerste indruk 
HALO-effect = 
  • Positieve eigenschappen =>  andere positieve eigenschappen Bv. mooi = intelligent, emotioneel stabiel, sociaal vaardig
  • Maar: geen verband eigenschappen
    met uiterlijk

Slide 13 - Slide

2. Eerste indruk 
Fragment ook getest op mensen => conclusie?

  • Wie er beter en verzorgd uitziet, wordt als betrouwbaarder beschouwd en sneller geholpen.


Slide 14 - Slide

2. Eerste indruk 
Casestudy : Jeremy Meeks => 
  • 30-jarige Amerikaan
  • juni 2014 opgepakt ~> mugshot 
  • veel vrouwen deelde foto + zamelden
    geld in
  • vrouwen geloofden niet dat iemand met zo'n knap uiterlijk misdadiger was => halo-effect

Slide 15 - Slide

2. Eerste indruk 
HORN-effect =
  • omgekeerde : negatief kenmerk veronderstelt nog meer negatieve eigenschappen.
  • duivelshorens
  • onaantrekkelijkheid kan negatieve
    gevolgen hebben.

Slide 16 - Slide

2. Eerste indruk 
Geef 2 negatieve gevolgen die onaantrekkelijkheid kan hebben :

  1. minder mooie kinderen krijgen minder aandacht van verzorgers
  2. minder mooie kinderen krijgen meer straf

Slide 17 - Slide

2. Eerste indruk 
Negativiteitseffect
Negatieve kenmerken => wegen zwaarder door in beeldvorming dan positieve


Verklaring : Positief gedrag = ‘normaler’ (komt vaak voor) / Negatief gedrag = schaarser => Valt harder op en heeft grotere invloed op mening.

Slide 18 - Slide

3. Causale attributies 
1. Interne en externe attributies
Wat denk je dat er aan bij volgende situaties :
  1. Je ziet dat een klasgenoot tranen in de ogen heeft.
  2. Op de trappen van het station zie je een meisje dat in elkaar gedoken zit.
  3. Je hoort in het klaslokaal naast het jouwe een hels kabaal.

Slide 19 - Slide

3. Causale attributies 
Fritz Heider => causale attributies = het zoeken 
naar oorzaken van gedrag.

CAUSAAL = oorzakelijk 
ATTRIBUTIE = denkproces : de oorzaak waarvan we denken dat het de juiste is => niet altijd juiste oorzaak.
attributies = toegeschreven oorzaken, niet altijd ware oorzaak

Slide 20 - Slide

3. Causale attributies 
  • interne attributie = oorzaak in de persoon zelf te zoeken   is => persoonsgebonden  
  = persoonlijke attributie

  • externe attributie = gedrag wordt veroorzaakt door   omgeving of door toeval => situatiegebonden 
  = situationele attributie 

Slide 21 - Slide

3. Causale attributies 
Vul de tabel in : zoek een vb. bij de situaties 




=> attributies over iemands gedrag bepalen mee over hoe iemand een ander beoordeelt.

Slide 22 - Slide

3. Causale attributies 
Vul de tabel in 


Slide 23 - Slide

3. Causale attributies 
We beschikken niet altijd over de nodige info voor een goed overwogen attributieproces

of we nemen niet de tijd voor een grondige beoordeling

Slide 24 - Slide

Welke attributie maakt een leerkracht meestal als hij een leerling ziet geeuwen in de les?
A
de leerling is niet geïnteresseerd
B
ik ben een saaie leerkracht
C
de leerling heeft slecht geslapen omdat de buren ruzie maakten
D
er is te weinig zuurstof in de klas

Slide 25 - Quiz

3. Causale attributies 
2. Attributiefouten             
1. Fundamentele attributiefout
 Welke attributie zou een leerkracht maken als hij een leerling ziet geeuwen in de klas?
  • geen interesse 
  • slecht geslapen
  • saaie leerkracht

Slide 26 - Slide

3. Causale attributies 
1. Fundamentele attributiefout

Rol persoonlijke eigenschappen overschatten => invloed situatie over het hoofd te zien

=> interne attributies komen vaker voor dan externe

Slide 27 - Slide

3. Causale attributies 
1. Fundamentele attributiefout
2 Welke oorzaak geef je als verklaring? 
Yuko : 
  • is een babbelkous
Lenny :
  •  is een eenzaat


Slide 28 - Slide

3. Causale attributies 
1. Fundamentele attributiefout
Yuko is een babbelkous
Lenny is een eenzaat

Als je bij de voorbeelden hebt verwezen naar een persoonlijkheidskenmerk en niet naar de situatie => 
= fundamentele attributiefout

Slide 29 - Slide

3. Causale attributies 
Hoe komt het dat de fundamentele attributiefout vaak gemaakt wordt?
=> tweestappenmodel :
1. mensen maken automatisch eerst interne attributie (snel en makkelijk)
-> vaak wel cognitieve vertekeningen (biases) = onbewuste denkfouten die leiden tot foute oordelen of beslissingen

Slide 30 - Slide

3. Causale attributies 
2. In de tweede fase wordt de situatie grondiger bestudeert en ontstaat er een andere mening.
= inspanning nodig 

niet tot 2e stap als te weinig info, vermoeidheid, ongemotiveerd, ... => blijven hangen in interne attributie

Slide 31 - Slide

3. Causale attributies 
 Pas het tweestappenmodel toe :


  • 1e stap = interne attributie : je denkt dat je vriendin nonchalant is (persoonsgebonden)
  • 2e stap = situatie beoordelen : je denkt dat de bus mss vertraging had door het drukke verkeer

Slide 32 - Slide

3. Causale attributies 
Bekijk foto :
  • kans bestaat dat de
    chauffeur de agent
    beschouwt als een streng
    (vervelende) man (IA)
  • terwijl de agent z'n job
    gewoon doet (EA)

Slide 33 - Slide

3. Causale attributies 
2. Self-serving bias
  1. Hoe reageer jij als je bij een hele moeilijke wedstrijd of optreden een heel goed resultaat hebt behaald?

  2. Wat is je reactie als je bij een andere moeilijke wedstrijd of optreden helemaal de mist ingaat? Hoe komt dit?

Slide 34 - Slide

3. Causale attributies 
2. Self-serving bias
Mensen beoordelen hun eigen gedrag => verklaring zoeken die goed uitkomt voor hun zelfbeeld
  • succes toeschrijven aan interne factoren
  • mislukking aan externe factoren
= zelfdienende tendens = self-serving bias (bias = vertekening/vervorming (vd werkelijkheid))

Slide 35 - Slide

3. Causale attributies 
2. Self-serving bias
vb : schools presteren =>

 Wanneer je een goed cijfer hebt, hoe verklaar je dat?
  • goede cijfers = goede studiehouding (IA)
Hoe verklaar je het feit dat je minder goede cijfers hebt?
  • slechte cijfers = uitleg leerkracht / te weinig tijd (EA)


Slide 36 - Slide

3. Causale attributies 
2. Self-serving bias
 Self-serving bias bij supporters :
  • Fan van Club Brugge schrijft winst ploeg toe aan talent van de spelers of de goede teamspirit (IA van de ploeg/spelers). Als de ploeg verliest, wijt hij dat aan de scheidsrechter die niet neutraal was (EA).

Slide 37 - Slide

3. Causale attributies 
2. Actor - observatoreffect
neiging gedrag anderen verklaren adhv persoonlijkheidskenmerken = IA & eigen gedrag verklaren adhv omstandigheden = EA

=> vooral bij negatief gedrag

Slide 38 - Slide

3. Causale attributies 
2. Actor - observatoreffect
Welke attributies?
Iemand valt om in de bus :
  • interne => onhandig en staat niet stevig op de benen
Ik val om in de bus : 
  • externe => chauffeur rijdt te woest of de bus is te vol.

Slide 39 - Slide

3. Causale attributies 
2. Actor - observatoreffect
verklaringen :
  1. onszelf omstandigheden zijn gekend
  2. bescherming zelfbeeld
  3. perspectief waaruit we gedrag observeren

Slide 40 - Slide

3. Causale attributies 
2. Actor - observatoreffect
kader : crosscultureel onderzoek => meer denkfouten in Westerse culturen

Amerikanen : veel IA (stelen want dief)
Aziaten : meer EA (stelen want werkloos) => minder fundamentele attributiefout

Slide 41 - Slide

3. Causale attributies 
2. Actor - observatoreffect
onderzoek : gedrag vis beoordelen =>
Amerikanen : vis = leider = interne attributie
Aziaten : vis wordt verjaagd door de groep = externe attributie
=> in collectivistische culturen : self-effacing bias : succes door situatie en mislukking aan zichzelf 

Slide 42 - Slide

4. Sociale categorisering 
= mensen worden vaak in categorieën of hokjes gestoken => omgeving w. voorspelbaarder/overzichtelijk
1. Ingroup (WIJ) en outgroup (ZIJ)
beoordelen van mensen als deel van een groep
INGROUP = groep mensen waarmee we ons identificeren
OUTGROUP = iedereen die niet tot de ingroup behoort.
=> verschillende ingroups

Slide 43 - Slide

4. Sociale categorisering 

Slide 44 - Slide

4. Sociale categorisering 

Slide 45 - Slide

Tot welke ingroups behoor jij? Geef ook telkens de bijpassende outgroup :

Slide 46 - Open question

4. Sociale categorisering 
 Tot welke ingroups (vs outgroup) behoor jij?

  • tieners vs volwassenen vs kleuters vs...
  • jongens vs meisjes
  • leerlingen humane vs lln MWW
  • Belgen vs Nederlanders

Slide 47 - Slide

Weet je nog wat 'outgrouphomogeniteit' is?

Slide 48 - Open question

Weet je nog wat 'ingroupfavoritisme' is?

Slide 49 - Open question

4. Sociale categorisering 
=> heeft invloed op onze gedachten, gevoelens en gedrag => kan leiden tot vooroordelen, stereotypen en discriminatie
2 mechanismen :
  1. outgrouphomogeniteit -> stereotypen
    onderschatting verschillen tss individuen outgroup 
  2. ingroupfavoritisme -> negatieve vooroordelen outgroup
    overschatting verschillen tussen ingroup en outgroup 

Slide 50 - Slide

4. Sociale categorisering 
outgrouphomogeniteit : neiging te denken dat leden outgroup allemaal op elkaar lijken => Latijnse klas zijn allemaal strevers

ingroupfavoritisme : voorkeur voor de ingroup. Eigen groep wordt als beter gezien dan de outgroup => onze klas is veel leuker dan de andere

Slide 51 - Slide

4. Sociale categorisering 
Chinees onderzoek : meer empathie met eigen groep.
videobeelden : Chinese en blanke mensen die pijn leden.

=> brein pp reageerde heviger als ze ingroup-leden zagen


Slide 52 - Slide

4. Sociale categorisering 
  1. Gebrek aan kennis over andere groep => hoe minder we weten -> homogener + negatiever

  2. Groepsidentiteit sterker => andere groep is tegenstander
    groepsgevoel supporters

Slide 53 - Slide

4. Sociale categorisering 
2. Stereotypen
categorie personen met bepaalde eigenschappen wordt geassocieerd met elkaar

=> niet iedereen = ~> dus onjuist beeld
=> outgrouphomogeniteit (idee : alle mensen outgroup zijn hetzelfde

Slide 54 - Slide

Geef voorbeelden van stereotypen o.b.v : nationaliteit, leeftijd, geslacht, beroep, fysieke kenmerken

Slide 55 - Open question

4. Sociale categorisering 
Voorbeelden :
  • nationaliteit : NL zijn gierig
  • leeftijd : oude mensen zeuren veel
  • geslacht : meisjes giechelen veel
  • beroep : boekhouders zijn saai
  • fysiek : dikke mensen zijn lui
=> sommige stereotypen zijn onschuldig, soms schadelijk

Slide 56 - Slide

Bekijk de reportage. Met welke vooroordelen worden de leerlingen geconfronteerd?

Slide 57 - Open question

4. Sociale categorisering 
 Reportage Iedereen beroemd :(5'11")

  • Ze worden gezien als dief, als slechte. 
  • Ze nemen België over
  • Meisje met hoofddoek wordt beschouwd als extremiste

Slide 58 - Slide

4. Sociale categorisering 
Vaak zijn stereotypen schadelijk/negatief, maar er zijn ook positieve stereotypen
  • Aziaten zijn goed in wiskunde 
  • kind van dokter kan goed studeren
  • => kan leiden tot hoge verwachtingen...
  • nog : Afrikaanse mensen zijn goed in sport/muziek
  • wetenschapper/filosoof/politicus => witte mensen

Slide 59 - Slide

4. Sociale categorisering 
nog :  Afrikaanse mensen zijn goed in sport/muziek
          wetenschapper/filosoof/politicus => witte mensen

Slide 60 - Slide

4. Sociale categorisering 
4.2.2 Het tweestappenmodel 
=> cognitieve schema's
  1. Automatische reactie op personen die niet tot eigen groep behoren ~> stereotype wordt opgeroepen
  2. bewuster nadenken ~> cognitieve inspanning ~> stereotiep denken
IAT => https://implicit.harvard.edu/implicit/belgium/ 

Slide 61 - Slide

4. Sociale categorisering 
Impliciete Associatie Test
IAT =>
https://implicit.harvard.edu/implicit/belgium/ 
of nog www.onderhuids.nl
  1. Wat is het resultaat van de test? Ben je verrast?
  2. Wat zegt het resultaat over jou? Komt het overeen?
-> Videofragment : Zijn we allemaal racisten? UvVl  (18'10")

Slide 62 - Slide

4. Sociale categorisering 
3. Vooroordelen
= negatieve houding/gevoel tegenover iemand omdat die tot een bepaalde groep behoort.

stereotype (gedachte/cognitief) => vooroordeel (gevoel/affectief)
=> ingroupfavoritisme : idee mensen ingroup zijn beter 

Slide 63 - Slide

4. Sociale categorisering 
Ontstaan van vooroordelen
=> Hoe komt het dat stereotypen niet altijd tot echte vooroordelen uitgroeien?
  1. groepsprocessen
  2. sociale leerprocessen
  3. bedreiging van het zelfbeeld
  4. persoonlijkheid

Slide 64 - Slide

4. Sociale categorisering 
1. Groepsprocessen
indeling wij-zijgroepen => ingroupfavoritisme
= bevoordelen van de eigen groep ~> 'onze' groep wordt sterker en beter.
Henri Tajfel => 2 willekeurige groepen ~> geldbedrag uitdelen -> wisten enkel dat lid vd eigen groep was of niet
=> groter bedrag aan lid van de eigen groep.

Slide 65 - Slide

4. Sociale categorisering 
2. Sociale leerprocessen
van kindsbeen af => omgevingsinvloeden
gezin, school, sociale media, familie, vrienden, .......

Zwarte Piet => Roetpiet
Efteling
=> Doll test van Kenneth en Mamie Clark (kleuterleeftijd)

Slide 66 - Slide

Van welke vooroordelen zijn de kinderen al doordrongen?

Slide 67 - Open question

Waar legt jeugdpsychiater B.S. het ontstaan van vooroordelen?

Slide 68 - Open question

Hoe reageer je er als volwassene het best op?

Slide 69 - Open question

4. Sociale categorisering 
2. Sociale leerprocessen
De Wonderjaren (16'-27')
Van welke vooroordelen zijn de kinderen al doordrongen?

  • Mensen met een donkere huidskleur zijn minder mooi, stouter, hebben een lagere job, minder geld,...

Slide 70 - Slide

4. Sociale categorisering 
Waar legt jeugdpsychiater B.S. het ontstaan van vooroordelen?

  • Kinderen pikken ze op in hun omgeving, niet enkel via de ouders, maar ook via andere volwassenen en kinderen, via boeken en tv. In boeken en films is de held vaak wit.

Slide 71 - Slide

4. Sociale categorisering 
Hoe reageer je er als volwassene het best op?

  • Je mag ze wel wijzen op de verschillen maar je moet hen duidelijk maken dat het heel normaal is. Je maakt het best niet te beladen.

Slide 72 - Slide

4. Sociale categorisering
3. Bedreiging van het zelfbeeld
Neerkijken op een andere groep leidt tot een hogere zelfwaardering
=> mensen met een laag zelfbeeld -> zz hoger inschatten

Onderzoek Fein en Spencer (p14) : lezen en in eigen woorden uitleggen

Slide 73 - Slide

Onderzoek Fein en Spencer (p14) : lees het onderzoek en leg in je eigen woorden uit.

Slide 74 - Open question

4. Sociale categorisering 
3. Bedreiging van het zelfbeeld
Onderzoek Fein en Spencer (p14) 
negatieve stereotype over Joodse carrièrevrouwen
2 groepen : hoge en lage waardering dmv +/- feedback
Poolse en Italiaanse vrouwennamen inschatten 
=> Verlaagde zelfwaardering -> Poolse vrouw lager inschatten -> vooroordelen helpen zelfbeeld herstellen

Slide 75 - Slide

Leg de link met 'trollen', die giftige commentaren schrijven over andere mensen op sociale media.

Slide 76 - Open question

4. Sociale categorisering
3. Bedreiging van het zelfbeeld
'Trollen' = leg de link :

  • Mogelijk hebben trollen een laag zelfbeeld en schrijven ze hun commentaren omdat ze zich daardoor er beter door voelen.

Slide 77 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
=> mensen veranderen niet graag van mening = weinig geneigd oordeel aan te passen

~> aantal mechanismen zorgen dat men zich vasthoudt aan eerste indruk en stereotiepe meningen

Slide 78 - Slide

5. Hardnekkige meningen
1. Subcategorisering
=> Indeling maken van nieuwe subcategorieën 

goede/slechte personen ~ uitzonderingen

bvb carrièrevrouwen ~> andere soort dan categorie vrouw = eerder zorgende en ondergeschikte jobs 


Slide 79 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
2. Confirmation bias = bevestigingsvooroordeel
=> personen concentreren zich op info uit de omgeving om beeld in stand te houden.

~> men zoekt naar kenmerken in het gedrag om beeld te bevestigen

Slide 80 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
2. Confirmation bias
Experiment John M. Darley en Paget Gross
(J.D = soc. psych. => oa omstaanderseffect)


pp moesten schoolse vaardigheden Hannah (9j) inschatten

Slide 81 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
2. Confirmation bias
Deel 1 exp => pp in 2 groepen :
  1. ouders H. hadden hoog diploma + behoorlijk inkomen
  2. ouders H zijn arm
~> 1e groep hogere verwachtingen over H. dan 2e groep
Deel 2 exp => geen extra info vs videobeelden van toets H. 
soms fout op makkelijke vragen en juist op moeilijke vragen

Slide 82 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
Resultaat exp

Slide 83 - Slide

Wat kan je afleiden uit de grafiek?

Slide 84 - Open question

5. Hardnekkige meningen 
2. Confirmation bias
Wat kan je afleiden uit de grafiek?

  • De pp met de hoge verwachtingen schatten H. hoger in dan die met de lage verwachtingen. Het verschil is een stuk groter bij de deelnemers die de video hadden gezien.

Slide 85 - Slide

Hoe kan de confirmation bias de resultaten verklaren?

Slide 86 - Open question

5. Hardnekkige meningen
2. Confirmation bias
Hoe kan de confirmation bias de resultaten verklaren?
  • De pp focusten op de vragen die overeenstemden met hun 1e oordeel (de info). De 1e groep had aandacht voor de juiste antwoorden en ging H. daardoor hoger inschatten. Bij de 2e groep gebeurde het omgekeerde.

Slide 87 - Slide

Wat is de link met de impliciete persoonlijkheidstheorie?

Slide 88 - Open question

Is er in het artikel over 'Boer zoekt vrouw' ook sprake van confirmation bias?

Slide 89 - Open question

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy
=> wie eenmaal mening heeft ~> past gedrag daaraan aan
=> andere wordt beïnvloed en gedraagt zich als verwacht

~> je denkt dat iem. aardig is en gedraagt je vriendelijk tov deze pers -> deze pers doet dit ook = mening wordt bevestigd.

Slide 90 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy
4 delen =>
  1. pers A heeft bep verwachtingen over pers B
  2. pers A gedraagt zich naargelang verwachtingen
  3. pers B past gedrag onbewust aan aan gedrag pers A
  4. pers A ziet verwachtingen bevestigd.
Teken dit zelf uit in een schema 

Slide 91 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy 

Slide 92 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy 
Experiment Robert Rosenthal (en directrice L. Jacobson)
=> IQ-test basisschool : 
1 deel lln erg goede resultaten => veelbelovend maar
 eigenlijk willekeurig
=> op einde jaar opnieuw IQ-test ~> dezelfde lln opmerkelijk betere score dan rest

Slide 93 - Slide

5. Hardnekkige meningen
3. Self-fulfilling prophecy 
conclusie experiment : 
lkr waren zich anders gaan gedragen tov lln met goede IQ-test.
hogere verwachtingen => meer aanmoedigen/uitdagen/ meer feedback => lln voelden positieve aandacht + gingen zich daarnaar gedragen
=> = Pygmalion-effect

Slide 94 - Slide

5. Hardnekkige meningen 

Slide 95 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy 
Pygmalion-effect = verwachtingen van de leerkrachten beïnvloeden de prestaties van de lln

= Griekse myhte ~> beeldhouwer
die perfecte vrouw creëerde

Slide 96 - Slide

5. Hardnekkige meningen 
3. Self-fulfilling prophecy 
 Leg verband tussen Selfulfilling prophecy en de Doll test.
  • De kinderen met een donkere huid beseffen dat anderen hen als minder en slechter beschouwen. Mogelijk zullen ze hun gedrag daaraan aanpassen, zodat ze later ook echt 'stouter' worden en minder geld verdienen.

Slide 97 - Slide