Hoofdstuk 3.1 Stoffen en eigenschappen
Hoofdstuk 3.1 Stoffen en eigenschappen
Open met herkenbare spullen uit de klas: tafel, flesje, telefoon, boek. Verbind zo de titel meteen aan de leefwereld van leerlingen.
Leerdoel
Vandaag leer je:
het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel;
wat een stofeigenschap is;
het verschil tussen een stofeigenschap en een voorwerpeigenschap;
wat dichtheid betekent;
waarom iets zinkt of drijft;
hoe je de dichtheid berekent.
This item has no instructions
Noem 3 stoffen die je op dit moment om je heen ziet.
Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen. Verwachte woorden: water, massa, volume, zinken, drijven, hout, metaal, zwaar, licht.
Alles om je heen is materie
Materie is alles wat ruimte inneemt
Materie heeft ook massa
Voorbeelden: lucht, water, kleding, boeken, een tafel
Materie bestaat uit stoffen
Benadruk dat ook lucht materie is, omdat leerlingen vaak alleen aan vaste voorwerpen denken.
Zuivere stof of mengsel?
Mengsel
Zuivere stof
Bestaat uit meerdere stoffen door elkaar
Voorbeelden:
- kraanwater
- cola
- lucht
- glas
- pindakaas
Bestaat uit één soort stof
Voorbeelden:
- ijzer
- suiker
- zuurstof
- keukenzout
- gedestilleerd water
Gebruik steeds dezelfde formulering: zuivere stof = één soort stof, mengsel = meerdere stoffen. Dat helpt bij het onthouden.
Hoe weet je of iets een mengsel is?
Als in een materiaal verschillende stoffen samen aanwezig zijn, noem je het een mengsel. Je kunt dat niet altijd aan de buitenkant zien. Een glas water lijkt bijvoorbeeld één stof, maar kraanwater bevat ook opgeloste stoffen.
Leg het verschil uit tussen gedestilleerd water en kraanwater; dat maakt het idee van mengsel concreet.
Stoffen kun je niet altijd herkennen
Aan een voorwerp zie je niet altijd direct van welke stof het gemaakt is
Eén voorwerp kan uit meerdere stoffen bestaan
Daarom gebruik je stofeigenschappen om een stof te herkennen
Verbind dit met een laptop of drinkfles: uiterlijk alleen is niet genoeg om de stof vast te stellen.
Wat is een stofeigenschap?
Een stofeigenschap is een eigenschap waaraan je een bepaalde stof kunt herkennen.
Voorbeelden zijn kleur, geur, smaak, hardheid, brandbaarheid, oplosbaarheid, kookpunt, smeltpunt en dichtheid.
This item has no instructions
Voorbeeld: suiker herkennen
Suiker is wit
Suiker smaakt zoet
Suiker lost op in water
Samen helpen deze eigenschappen om suiker te herkennen
Maak duidelijk dat één eigenschap soms niet genoeg is; vaak gebruik je meerdere stofeigenschappen samen.
Stofeigenschap of niet?
Geen stofeigenschappen
Kleur
Hardheid
Dichtheid
Wel stofeigenschappen
Vorm
Massa
Grootte
Leg uit dat vorm, massa en grootte afhangen van het voorwerp en niet van de stof zelf.
Stofeigenschap en voorwerpeigenschap
Voorwerpen van dezelfde stof kunnen een andere vorm, grootte en massa hebben. Daarom zijn dat voorwerpeigenschappen. Een stofeigenschap blijft juist bij dezelfde stof hetzelfde.
Gebruik het voorbeeld staal: sieraad, afzuigkap en balk verschillen als voorwerp, maar niet in dichtheid van de stof staal.
Dezelfde stof, andere voorwerpen
Een stalen sieraad, afzuigkap en balk zien er anders uit
Ze verschillen in vorm, grootte en massa
Toch kunnen ze van dezelfde stof zijn
Dichtheid kan helpen om dat te bepalen
This item has no instructions
Welke omschrijving past bij een mengsel?
één soort stof
meerdere stoffen
één vorm
vaste stof
Controleert het kernverschil tussen zuivere stof en mengsel. Let op de misvatting dat een mengsel altijd zichtbaar uit delen moet bestaan.
Vul de juiste woorden in
Een zuivere stof bestaat uit één soort stof. Een mengsel bestaat uit meerdere stoffen door elkaar. Dichtheid is een stofeigenschap, maar massa is een voorwerpeigenschap.
Sluit aan op de slides over zuivere stof, mengsel, stofeigenschap en voorwerpeigenschap.
Wat is dichtheid?
De dichtheid geeft aan hoeveel massa 1 cm³ van een stof heeft. Zo kun je stoffen met elkaar vergelijken, ook als de blokjes even groot zijn.
Benadruk dat dichtheid iets zegt over de stof zelf, niet over één specifiek voorwerp.
De eenheid van dichtheid
De eenheid is g/cm³
Je spreekt dit uit als gram per kubieke centimeter
Voorbeelden:
- water: 1,0 g/cm³
- beton: 2,0 g/cm³
Leg uit dat 'per' betekent: voor elke 1 cm³ hoort een bepaalde massa.
Even groot, toch andere massa
Drie blokjes van 1 cm³ kunnen toch verschillende massa hebben:
piepschuim: 0,04 g
water: 1,0 g
beton: 2,0 g
Het blokje met de grootste massa heeft ook de grootste dichtheid.
This item has no instructions
Dichtheid is een stofeigenschap
Omdat dichtheid bij een stof hoort, kun je die gebruiken om een stof te herkennen. Je meet dan de massa en het volume, berekent de dichtheid en vergelijkt die met een tabel.
Dit is de brug naar het laatste deel: dichtheid niet alleen begrijpen, maar ook echt gebruiken om stoffen te herkennen.
Waarom drijft ijs?
Dichtheid van ijs: 0,92 g/cm³
Dichtheid van water: 1,0 g/cm³
IJs heeft een kleinere dichtheid dan water
Daarom drijft ijs
This item has no instructions
Zinken of drijven in water
Vergelijk de dichtheid van een voorwerp met die van water:
Dichtheid kleiner dan 1,0 g/cm³ → drijft
Dichtheid groter dan 1,0 g/cm³ → zinkt
https://phet.colorado.edu/en/simulations/density
Noem ook kort dat bij precies 1,0 g/cm³ de dichtheid gelijk is aan water.
Voorbeelden in water
Drijft
Voorwerp: 2,5 g/cm³
Groter dan water
Dus: zinkt
Zinkt
Voorwerp: 0,7 g/cm³
Kleiner dan water
Dus: drijft
This item has no instructions
Dichtheid bepalen
Zo bepaal je de dichtheid van een voorwerp:
Meet de massa met een weegschaal
Bepaal het volume
Reken: dichtheid = massa ÷ volume
Schrijf alles netjes op aan de hand van de volgende stappen.
Gegeven, gevraagd, formule en uitwerking.
Noem dat je bij een onregelmatig voorwerp het volume kunt bepalen met de onderdompelmethode.
Een blokje heeft een dichtheid van 0,85 g/cm³. Wat gebeurt er in water?
het smelt
het lost op
het drijft
het zinkt
Past direct bij de regel: kleiner dan 1,0 g/cm³ betekent drijven.