Scheiden en analyseren (Scheikunde vwo), les 3: Terugblik quiz

Opstelling voor fractionele destillatie (foto: Chemie-Verbände BW, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE

Quiz

Terugblik: Scheiden en analyseren

1 / 15
next
Slide 1: Slide
New lesson editorScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 15 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min
Report this lesson

Introduction

Quiz van twaalf vragen over mengsels, scheiden, chromatografie, ijklijn, massaspectrometrie en isotopen als terugblik voor het examen.

Items in this lesson

Opstelling voor fractionele destillatie (foto: Chemie-Verbände BW, CC BY 2.0)

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE

Quiz

Terugblik: Scheiden en analyseren

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Chemie-Verbände Baden-Württemberg / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

Vul in

Een oplossing is homogeen: op microniveau zijn er meer soorten deeltjes door elkaar.

homogeen
meer soorten
heterogeen
één soort

Syllabus M2.1 en M2.3. Een oplossing ziet er overal hetzelfde uit (homogeen), maar is een mengsel: er zijn meer soorten deeltjes. Verwachte fout: één soort invullen, omdat je in een heldere oplossing niets ziet.

Koper en zink zijn samengesmolten tot messing. Wat is messing?

A

Een legering, dus een zuivere stof

B

Een legering, dus een mengsel

C

Een suspensie van zink in koper

D

Een emulsie van twee metalen

Syllabus M2.1 en M2.3. Een legering is een mengsel van een metaal met andere stoffen; op microniveau zijn er twee soorten atomen door elkaar. Verwachte fout: denken dat een vast materiaal een zuivere stof is.

Bloedcellen en plasma scheid je door te centrifugeren. Welke eigenschap?

A

Een verschil in kookpunt

B

Een verschil in oplosbaarheid

C

Een verschil in aanhechting

D

Een verschil in dichtheid

Syllabus R&A2.1 en R&A2.2. Bij centrifugeren zakken de zwaardere deeltjes naar de bodem. Verwachte fout: oplosbaarheid, omdat bloed een vloeistof is.

Zet de stappen van gaschromatografie op volgorde

1

Stoffen verlaten de kolom op verschillende tijden

2

Het draaggas voert de stoffen door de kolom

3

Het monster wordt geïnjecteerd en verdampt

4

De detector geeft per stof een piek

Syllabus R&A2.1. Verwachte fout: de detector vóór de kolom plaatsen.

Welke Rf-waarde kan niet kloppen?

A

1,3

B

0,05

C

0,50

D

0,98

Syllabus R&A2.1. Het front ligt altijd verder van de start dan de vlek, dus Rf is hoogstens 1. 1,3 is onmogelijk.

Rf 0,25, front op 8,0 cm. Afstand van vlek?

Afstand = Rf × 8,0 cm = 0,25 × 8,0 = 2,0 cm. Controle: 2,0 / 8,0 = 0,25. Verwachte fout: 8,0 / 0,25 = 32 cm.

P: hoge smalle piek, Q: lage piek met groter oppervlak. Van welke is meer?

A

P, want de piek van P is hoger

B

P, want de piek van P is smaller

C

Q, mits de detector beide even sterk meet

D

Evenveel, want ze zijn goed gescheiden

Syllabus R&A2.3. Het piekoppervlak is evenredig met de hoeveelheid, niet de hoogte, op voorwaarde dat de detector beide stoffen even sterk meet. Verwachte fout: de hoogste piek als de grootste hoeveelheid zien.

In de kolom komt A eerder uit dan B. Waarom?

A hecht zwakker aan de stationaire fase (of lost minder goed erin op) dan B, dus A heeft de kortere retentietijd. Verwachte fout: A is lichter, zonder verwijzing naar de binding.

Ijklijn tot 40 mg L⁻¹; het monster meet hoger dan de lijn. Wat doe je?

A

De lijn doortrekken en dan aflezen

B

De hoogste standaard als uitkomst nemen

C

Het monster verdunnen en opnieuw meten

D

De meetwaarde door twee delen en aflezen

Syllabus R&A2.1 (ijklijn). Buiten het gemeten bereik is het verband niet vastgesteld. Verdunnen brengt de meetwaarde binnen het bereik; daarna reken je terug met de verdunningsfactor. Verwachte fout: extrapoleren.

Een ion heeft massa 63 u en lading 2+. Bij welke m/z ligt zijn piek?

A

31,5

B

63

C

126

D

61

Syllabus R&A2.1 (m/z-verhouding). m/z = massa / lading = 63 / 2 = 31,5. Fouten: 63 (lading vergeten), 126 (vermenigvuldigd met de lading), 61 (de twee elektronen van de massa afgetrokken).

Isotopen 10 u en 11 u hebben piekhoogtes 25 en 100. Welk percentage is 11 u?

A

20%

B

75%

C

25%

D

80%

Syllabus R&A2.4. Som van de hoogtes = 125; aandeel 11 u = 100 / 125 = 0,80, dus 80%. Fouten: 20% (aandeel van de andere isotoop), 75% (100 − 25), 25% (de hoogte als percentage).

Wat is de functie van een indicator bij een titratie?

A

De oplossing verdunnen

B

Het omslagpunt zichtbaar maken

C

Het residu afscheiden

D

De reactie versnellen

Syllabus R&A2.1 (indicator, titratie). De indicator verandert van kleur bij het omslagpunt, zodat je weet wanneer je moet stoppen. Verwachte fout: denken dat de indicator aan de reactie deelneemt als reagens.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · SCHEIDEN · ANALYSE

Goed gedaan!

Je kunt mengsels herkennen, een scheidingsmethode kiezen en beargumenteren, een chromatogram interpreteren en rekenen met isotopen. Succes op het examen!

This item has no instructions