TC A1 thema 7.7 In de file

7.7: In de file
1 / 50
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

This lesson contains 50 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson

7.7: In de file

Slide 1 - Slide

28 november 2025

Thema 7.7 In de file + werkblad

Herhaling voorzetsels

Werken uit het boek





Slide 2 - Slide

Herhaling

Slide 3 - Slide

De muis ligt ... het kopje.


  • op                             

Slide 4 - Slide

De muis zit ... het kopje.


  • voor                     

Slide 5 - Slide

Het schilderij hangt ... de muur.


  • aan                  

Slide 6 - Slide

Het beest ligt ... de bal.


  • onder               

Slide 7 - Slide

de draak springt ... het hek.


  • over                

Slide 8 - Slide

Het beest zit ... de ballen.


  • tussen            

Slide 9 - Slide

De muis zit ... het kopje.


  • onder                   

Slide 10 - Slide

Het beest zit ... de doos.


  • in                     

Slide 11 - Slide

De hond zit ... de kat.


  • tegenover           

Slide 12 - Slide

De draak komt ... de telefooncel.


  • uit                      

Slide 13 - Slide

Het beest zit ... de bal.


  • naast                    

Slide 14 - Slide

De muis zit ... het kopje.


  • achter                 

Slide 15 - Slide

De lamp hangt ... de tafel.


  • boven               

Slide 16 - Slide


De muis zit ....... het kopje.
A
in
B
achter
C
voor
D
op

Slide 17 - Quiz

De muis zit ....... het kopje.
A
in
B
voor
C
achter
D
op

Slide 18 - Quiz

De kat zit .......... de hond.
A
tegen
B
tegenover
C
naast
D
voor

Slide 19 - Quiz

Het paard springt .......... het hek.
A
op
B
voor
C
naast
D
over

Slide 20 - Quiz

Het schilderij hangt .......... de muur.
A
op
B
in
C
tegen
D
aan

Slide 21 - Quiz

De lampen hangen ..... het plafond en ze hangen ......... de tafel.
A
aan - boven
B
op - boven
C
onder - op
D
onder - boven

Slide 22 - Quiz

Het beest ligt ........ de bal.

Slide 23 - Open question

De draak springt ...... het hek.

Slide 24 - Open question

Het beest zit ....... de ballen.

Slide 25 - Open question

De muis zit ........ het kopje.

Slide 26 - Open question

Het beest zit ........ de doos.

Slide 27 - Open question

De muis zit .......... het kopje.

Slide 28 - Open question

Het beest zit ......... de bal.

Slide 29 - Open question

De draak komt ........ de telefooncel.

Slide 30 - Open question

De lamp hangt ...... de tafel.

Slide 31 - Open question

Dit is de provincie...
A
Zuid-Holland
B
Limburg
C
Zeeland
D
Flevoland

Slide 32 - Quiz

noorden
A
de
B
het

Slide 33 - Quiz

Noord
Zuid
Oost
West

Slide 34 - Drag question

Thema 7.7 In de file

Slide 35 - Slide

Slide 36 - Link

Woordenschat 7.7

Slide 37 - Slide

de collega
Je werkt samen. Bijvoorbeeld in de Action of Albert Heijn.

  • de collega - de collega's
  • Zin: Ik werk in de Action. Ik heb daar veel collega's.

Slide 38 - Slide

prima
  • heel goed
  • zin: Hoe gaat het? Prima!
  • zin: Jullie hebben de toets prima gemaakt. 
31

Slide 39 - Slide

de file
Lange rij met auto's 
op de weg.

Zin: Mevrouw Arslan staat soms in de file. 


Slide 40 - Slide

snappen
  • begrijpen 
  • Weten waarom
  • werkwoord
  • ik snap - wij snappen
  • zin: Hij snapt er niks van.
  • zin: Wij snappen waarom we naar school gaan.

Slide 41 - Slide

denken
  • Je hersens gebruiken
  • werkwoord
  • ik denk - wij denken
  • Zin: Ik denk altijd goed na.
  • Zin: Ik moet aan mijn oma denken.

Slide 42 - Slide

doorgeven

laten weten / vertellen

Zin: Ik wil even doorgeven dat ik morgen iets later op school ben.


Slide 43 - Slide

 te laat
  • Niet op tijd
  • laat <---> vroeg
  • zin: Ik ben te laat op school.
  • zin: De docent gaat laat naar huis.

Slide 44 - Slide

alvast 
  • nu al
  • voor iets anders
  • heeft met tijd te maken
  • Zin: Ik ga alvast mijn toets leren. Dan heb ik tijd genoeg.

Slide 45 - Slide

de plek
  • een plaats
  • een ruimte
  • zin: De slaapkamer is de plek om te slapen. 
  • zin: Er is geen plek meer voor deze spullen.

Slide 46 - Slide

onderweg 
  • Tijdens de reis;
  • Als je van de ene plaats naar de andere plaats gaat;
  • Zin: Wij zijn met de auto onderweg naar Frankrijk.
  • Zin: Ik ben al onderweg naar het centrum. Ik kom eraan!

Slide 47 - Slide

straks
  • later
  • duurt nog even
  • zin: Straks mogen we naar huis.
  • zin: We gaan straks een toets maken. 

Slide 48 - Slide

Maak een zin.

Slide 49 - Open question

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 50 - Poll