Week 12 Maandag 2A

Maandag 19 maart
  • Boekpresentaties: Bo, Dian, Niljan, Adile en Lucas
  • Huiswerk: 4.3 opdracht 10 en 11 af
  • Let op: uiterlijk vrijdag (23 maart) inleveren tweede opdracht fictiedossier
  • 4.4 Grammatica: uitleg bijwoord
  • Zelfstandig werken
1 / 10
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 10 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Maandag 19 maart
  • Boekpresentaties: Bo, Dian, Niljan, Adile en Lucas
  • Huiswerk: 4.3 opdracht 10 en 11 af
  • Let op: uiterlijk vrijdag (23 maart) inleveren tweede opdracht fictiedossier
  • 4.4 Grammatica: uitleg bijwoord
  • Zelfstandig werken

Slide 1 - Slide

Leerdoel
  • Ik kan een bijwoord in een zin herkennen en benoemen.







Slide 2 - Slide

Bijwoord (BW)

Een woord is een bijwoord als het iets zegt over:

  • het gezegde --> Hij heeft de deur mooi  geverfd.
  • de hele zin --> Ik hou niet  van je.
  • een bijvoeglijk naamwoord --> Hij is een zeer harde werker.
  • een ander bijwoord --> Hij werkt heel  hard.

Slide 3 - Slide

Bijwoord (BW)

Een woord is een bijwoord als het aangeeft waar, wanneer of hoe iets gebeurt:

  • Morgen komt hij niet.
  • Daar woont de timmerman.
  • Ik wil dat je het zo doet.

Slide 4 - Slide

Bijwoord (BW)

Een woord is een bijwoord als het een BWB die uit één woord bestaat:

  • Natuurlijk  wil hij de volgende keer wel weer meedoen.

Slide 5 - Slide

Bijwoord (BW)

Een woord is een bijwoord als het een afgesplitst deel is van een splitsbaar werkwoord:

  • Hij werkte stevig door.

Slide 6 - Slide

Bijwoord (BW)

Veelvoorkomende bijwoorden:

  • altijd, plotseling, soms, even, overal, waar, hoe, nog, ook, wel, toch, eigenlijk, niet, nooit, misschien, helaas, hopelijk

Slide 7 - Slide

Bijwoord (BW)

Veelvoorkomende bijwoorden:

  • altijd, plotseling, soms, even, overal, waar, hoe, nog, ook, wel, toch, eigenlijk, niet, nooit, misschien, helaas, hopelijk

Slide 8 - Slide

Verschil BN en BW
  • Een BN hoort bij een ZN, een BW niet
  • Een BN kan van vorm veranderen (goed - goede), een BW niet
  • Mijn broer werkt hard.
  • Een steen is hard.

Slide 9 - Slide

Zelfstandig werken
  • Wat?             Maken: 4.4 Woorden opdracht 3 en 4
  • Hoe?             Zelfstandig. Zachtjes overleggen mag, muziek                                                            luisteren mag ook.
  • Hulp?            Buurman of -vrouw, docent
  • Tijd?               Tot 10.10 uur
  • Resultaat?   Opdrachten netjes in schrift
  • Klaar?            Nakijken: gemaakte opdrachten hoofdstuk 4

Slide 10 - Slide