3H - Grammatica les 1

Welkom bij Nederlands
- Ga zitten
- Telefoon weg
- Boek, schrift, pen op tafel
- Over 5 minuten stil, dan start de les!
1 / 30
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

This lesson contains 30 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Welkom bij Nederlands
- Ga zitten
- Telefoon weg
- Boek, schrift, pen op tafel
- Over 5 minuten stil, dan start de les!

Slide 1 - Slide

Programma
Presentatie Joris & Ralph
10 minuten
Grammatica
10 minuten
Nakijken weektaak
10 minuten
Afsluiten
3 minuten

Slide 2 - Slide

Doel van de les
Je leert over waarom een taal grammatica nodig heeft.
Je ontdekt wat je nog weet van grammatica.

Slide 3 - Slide

Grammatica
De wob mufte zijn frinse fruin
Vraag: wat mufte de wob?




Slide 4 - Slide

Grammatica
Grammatica gaat over twee dingen:

1. Woordsoorten: wat is de functie van een woord en wat kan je er allemaal mee.

2. Zinsdelen: wat is de functie van een woordgroep en hoe staat deze in een zin.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Vaste volgorde van ontleden
1. PV 
2. Strepen zetten
3. WWG of NWG 
4. OW 
5. LV
6. MV
7. Bijw. bep.
8. Bijv. bep.
9. Bijstelling

Slide 7 - Slide

Zinsdelen
Een zin | bestaat | uit zinsdelen.


Alles wat voor de persoonsvorm staat of kan staan is 1 zinsdeel.

Slide 8 - Slide

De pv (persoonsvorm)

Altijd een werkwoord!

Komt meestal vooraan te staan in een vraagzin. MAAR................





Slide 9 - Slide

Let op!
Waar ga jij naar toe?
Wat doe jij daar?
Waarom ben jij niet op school? 

De vraagzin werkt niet altijd... 
Gebruik daarom liever: De tijdsproef of de getalsproef

Slide 10 - Slide

werkwoordelijk gezegde 
Hoe vind je het werkwoordelijk gezegde?

persoonsvorm+ alle werkwoorden in de zin

Slide 11 - Slide

 Werkwoordelijk gezegde
  • Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel.
  • Het werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden in de zin.
  • De persoonsvorm is onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.
  • Het werkwoordelijk gezegde zegt wat het onderwerp ‘doet’ of ‘overkomt’.
  • Let op: het woordje te voor een heel werkwoord hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde!
Ik heb veel te doen.
werkwoordelijk gezegde: heb te doen


Slide 12 - Slide

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde vertelt over wat het onderwerp is.

Slide 13 - Slide

Naamwoordelijk gezegde (nwg)
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit:
  • (koppel)werkwoord(en): ZWABBELS!! 
    ZWABBELS: Zijn, Worden, Blijven, Blijken, Lijken, Schijnen + heten, dunken, voorkomen
  • Naamwoordelijk deel 

Slide 14 - Slide

Voorbeeld NWG
Tom is arts.
ww: is
nw-deel: arts
Naamwoordelijk gezegde: is arts

Slide 15 - Slide

Welke zin heeft een NWG?
A
Ik ben de keuken aan het schoonmaken.
B
Wie is de beste leerling?
C
Hij heeft het uitgemaakt met Souhaila.
D
Hij is aan het picknicken in het park.

Slide 16 - Quiz

Welke zin heeft een NWG?
A
Mijn zus is kampioen boksen geweest .
B
Hij is zijn huiswerk vergeten.
C
Zij was alleen naar huis gelopen.
D
Wij zijn ons kapot geschrokken.

Slide 17 - Quiz

onderwerp 
Welke vraag stel je om het onderwerp te vinden?

Wie/wat + gezegde

Slide 18 - Slide

lijdend voorwerp
Welke vraag stel je op het lijdend voorwerp te vinden?

Wat / wie + wwg + o

Slide 19 - Slide

meewerkend voorwerp
Welke vraag stel je om het mv te vinden?

Aan wie / voor wie+ wwg + o + lv

Slide 20 - Slide

Voorzetselvoorwerp 
VASTE REGELS
  1. Begint altijd met een voorzetsel;
  2. Wordt aangevuld met een 'voorwerp';
  3. Vaste combinatie tussen het werkwoord en het voorzetsel (je kunt het voorzetsel NIET weglaten)
  4. Voorzetsel verliest de normale betekenis: het is figuurlijk bedoeld.

Slide 21 - Slide

Voorbeelden

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Video

ONTHOUDEN
Een LV begint NOOIT met een voorzetsel.
Het voorzetsel bij een MV kun je weglaten.
Het voorzetsel bij een VZV kun je NIET weglaten.

Slide 24 - Slide

Bijwoordelijke bepaling
We noemen de bijwoordelijke bepaling ook wel de ‘prullenbak’. Alles wat je overhoudt, noem je een bijwoordelijke bepaling.

Slide 25 - Slide

Bijwoordelijke bepaling
Let op
Niet in alle zinnen komt een bijwoordelijke bepaling voor, maar een zin kan ook meerdere bijwoordelijke bepalingen bevatten!

Slide 26 - Slide

Welke vraag(en) stel je ook alweer om de bijwoordelijke bepaling te bepalen?
  • waar= bijwoordelijke bepaling van plaats
  • wanneer= bijwoordelijke bepaling van tijd
  • hoe = bijwoordelijke bepaling van reden

Slide 27 - Slide

VZV niet verwarren met BWB
Ik wandel in het park > GÉÉN VZV want 'wandelen in' is geen vaste combinatie. Dit is een 'bijwoordelijke bepaling van plaats'.

Ze hingen aan het rekstok > GÉÉN VZV want je kunt ook 'naast' het rekstok hangen. Dit is een 'bijwoordelijke bepaling van plaats'.

Hij rekent op jullie > WÉL een VZV want 'rekenen op' is een vaste combinatie, hij doet het niet letterlijk (hij zit niet bovenop iemand iets uit te rekenen).


Slide 28 - Slide

Bijwoordelijk bepaling

Zegt iets over tijd, plaats, reden enz.
Kan met een voorzetsel beginnen
Is altijd letterlijk bedoeld
Voorzetselvoorwerp

Begint met een voorzetsel
Vaste combinatie tussen een werkwoord en het voorzetsel
Voorzetsel is figuurlijk bedoeld

Slide 29 - Slide

Weektaak
Wat? Blok 1 opdracht 1 en 2 (blz 20)
Hoe? In je schrift, zachtjes overleggen mag
Hulp? Steek je hand op
Tijd? 20 minuten.
Klaar? Oefen op Cambiumned.nl > Grammatica > Zinsdelen (begin bovenaan bij de oefening 'zinsdelen', daarna PV etc.,
zie ook Classroom )

timer
20:00

Slide 30 - Slide