Startklaar
Lesprogramma
¿Qué vamos a hacer hoy?
A. Opstarten: Terugblik vorige les
B. Oefenen: werkwoord SER
C. Doornemen: Woordenlijst Unidad 1
Lesdoelen
Na het leren voor deze toets kan ik:
Ik kan belangrijke Spaanse woorden en uitdrukkingen herkennen en vertalen, bijvoorbeeld over familie, persoonlijke gegevens, kleuren en beschrijvingen. SOL1
Ik kan Spaanse werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen, waaronder hablar, llamarse, ser, tener en regelmatige werkwoorden op -ar, -er en -ir. SOL1 SOL1
Ik kan eenvoudige Spaanse vragen en zinnen correct maken, met de juiste vraagwoorden en lidwoorden, zoals qué, quién, cómo, cuándo, dónde en el, la, los, las, un, una. SOL1
Ik kan mezelf in het Spaans voorstellen en eenvoudige teksten over personen begrijpen, bijvoorbeeld informatie over leeftijd, nationaliteit, woonplaats, familie, talen en uiterlijk.
📋 Regels – SO 1 Spaans:
Je maakt de toets zelfstandig.
Tijdens de toets is het stil. Je praat niet met andere leerlingen.
Telefoons en andere apparaten zijn opgeborgen en mogen niet gebruikt worden.
Je gebruikt alleen de materialen die de docent toestaat.
Heb je een vraag? Steek je hand op en wacht tot de docent bij je komt.
Je mag niet bij andere leerlingen kijken of antwoorden uitwisselen.
Je werkt tot de tijd om is. Als je eerder klaar bent, blijf je rustig zitten.
Lees iedere opdracht goed voordat je antwoord geeft.
Schrijf duidelijk en netjes, zodat je antwoorden goed leesbaar zijn.
Als de docent zegt dat de tijd voorbij is, leg je je pen neer.
minute
second
Los deberes
1. la edad
2. el/ la compañero/-a
3. azul
4. la madre
5. simpático/-a
6. el país
7. cantar
8. repartir
9. !qué guay!
10. los padres
LLAMARSE = HETEN
ME LLAMO
TE LLAMAS
SE LLAMA
NOS LLAMAMOS
OS LLAMÁIS
SE LLAMAN
EL CHICO
TÚ
YO
NOSOTROS
DE JONGEN HEET
JIJ HEET
IK HEET
WIJ HETEN
JULLIE HETEN
ZIJ HETEN
VOSOTROS
ELLAS
Llamarse = heten
Llamarse is een wederkerend werkwoord = verwijst naar de persoon zelf.
1. Ik Yo me llamo
2. Jij Tú te llamas
3. Hij/ zij/ u Él/ ella/ usted se llama
4. Wij Nosotros nos llamamos
5.Jullie Vosotros
Persoonlijke voornaamwoorden
ENKELVOUD MEERVOUD
1. Yo 4. Nosotros/as
2. Tú 5. Vosotros/as
3. Él/ ella/ usted 6. Ellos/ ellas/ ustedes
ESTAR ZIJN
1.(yo) estoy (ik ben)
2.(tú) estás (jij bent)
3.(él, ella, usted) está (hij/zij is, u bent)
4.(nosotros/as) estamos (wij zijn)
5.(vosotros/as) estáis (jullie zijn)
6.(ellos, ellas, ustedes) están (zij zijn / u (mv))
SER = ZIJN
*Ser: wie of wat iemand is. (Ser wordt gebruikt voor zaken die te maken hebben met identiteit)
1. Nationaliteit
2. Beroep
3. Karakter
4. Fysieke beschrijving
Ser = zijn (onregelmatig)
1. Yo soy ik ben
2. Tú eres jij bent
3. Él/ ella/ usted es hij/zij/u is
4. Nosotros somos wij zijn
5. Vosotros sois jullie zijn
6. Ellos/ ellas/ ustedes
Ser = zijn
Vul in de juiste vorm van het werkwoord ser.
1. Carmen …………… española.
2. Maria y Julio …………… españoles.
3. Nosotros …………… holandeses..
4. ¿Ustedes también (= ook) …………… holandeses?
5. No, nosotros no …………. Holandeses. Somos belgas.
6. Hola, yo …………. Luis.
7. Juana ………… profesora.
Ser = zijn
¿Te gustó la clase?
Vocabulario Unidad 0: Nuestro verano