H5 Energie en Warmte

Hoofdstuk 5
Energie en Warmte


1 / 36
next
Slide 1: Slide
Nask / TechniekMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 36 slides, with text slides and 1 video.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Hoofdstuk 5
Energie en Warmte


Slide 1 - Slide

Korte samenvatting paragraaf 5.2

Slide 2 - Slide

Leerdoelen:
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • vertellen welke soorten warmtebronnen er bestaan en hoe ze werken;
  • vertellen welke soorten brandstoffen er bestaan en waar ze vandaan komen;
  • uitleggen waarom we steeds meer duurzame energiebronnen moeten gaan gebruiken;
  • beschrijven hoe energiesoorten omgezet kunnen worden in andere energiesoorten;
  • rekenen met energie.

Slide 3 - Slide

 Warmtebronnen
Een warmtebron verwarmt iets met brandstof of elektriciteit.

Bijvoorbeeld: gasfornuis of waterkoker

Slide 4 - Slide

Brandstoffen
Stoffen die branden zoals
Aardolie, aardgas en steenkool:
  • komen uit de aardbodem
  • zijn delfstoffen

Benzine en diesel zijn ook brandstoffen maar worden gemaakt uit aardolie.

Slide 5 - Slide

Waarom duurzame energie?
Brandstoffen zoals aardgas en steenkool raken op en vervuilen het milieu

Duurzame energiebronnen zoals zon, wind- en waterkracht

Voordelen: raken niet op en zijn beter voor het milieu

Slide 6 - Slide

Hoe worden energiesoorten omgezet?
Een energiesoort kan veranderen in een andere energiesoort.
Voorbeeld:
gasfornuis:
chemische energie → warmte
elektrisch fornuis:
elektrische energie → warmte
scooter:
warmte → beweging

Slide 7 - Slide

Rekenen met energie:
Energie meet je in:
joule (J)

Grotere hoeveelheden:
1 kJ = 1000 J
1 MJ = 1 000 000 J
Voorbeelden:
3 kJ = 3000 J
2 MJ = 2 000 000 J

Slide 8 - Slide

Huiswerk 
Zorg dat je 5.1 en 5.2 af hebt voor de volgende les!

Slide 9 - Slide

Paragraaf 5.3
Warmte verplaatsen

Pak je spullen voor aantekeningen op tafel!

Slide 10 - Slide

Leerdoelen:
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • uitleggen hoe warmte wordt verplaatst in een centrale verwarming;
  • uitleggen hoe warmtetransport werkt;
  • uitleggen welke soorten warmtetransport er bestaan;
  • uitleggen hoe isolatie werkt.

Slide 11 - Slide

Centrale verwarming
Door radiatoren stroomt heet water.
Het metaal van de radiator wordt warm.
De radiator verwarmt de kamer.

Dit heet warmtetransport.

Slide 12 - Slide

Warmte transport
Warmte kan zich verplaatsen door: geleiding, stroming of straling

Warmte gaat altijd:
van hoge temperatuur
naar lage temperatuur

Slide 13 - Slide

Geleiding
Geleiding:
Warmte gaat door een vaste stof.
Metalen geleiden warmte goed.

Voorbeeld:
Het handvat van een pan op het vuur wordt warm.

Slide 14 - Slide

Stroming
Stroming:
Warme lucht of warm water beweegt omhoog.

Voorbeelden:
Water wordt onder in de pan verwarmd en stroomt naar boven.

Slide 15 - Slide

Straling
Straling
Warmte verplaatst zich zonder stof.

Voorbeelden:
Het warm hebben naast een kampvuur.
Je voelt de warmte op afstand.

Slide 16 - Slide

Isolatie
Isolatie houdt warmte binnen.

Materialen die goed isoleren:
kunststof
hout
stilstaande lucht

Slide 17 - Slide

Waarom houden dikke kleren warm?
In kleding zit veel stilstaande lucht.
Stilstaande lucht:
  • geleidt warmte slecht
  • houdt warmte vast

Daarom helpen:
  • dikke truien
  • laagjes kleding
  • dekbedden

Slide 18 - Slide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 5.3 blok C & D

Slide 19 - Slide

Paragraaf 5.4
Verbranden

Pak je spullen voor aantekeningen op tafel!

Slide 20 - Slide

Leerdoelen
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • beschrijven wat de drie belangrijkste factoren zijn voor een verbranding;
  • uitleggen wat de branddriehoek is;
  • uitleggen welke soorten verbrandingen er bestaan en welke stoffen hierbij ontstaan;
  • uitleggen wat het broeikaseffect is.

Slide 21 - Slide

Wat is nodig voor een verbranding?
Voor elke verbranding zijn drie dingen nodig:

  1. brandstof
  2. zuurstof
  3. ontbrandingstemperatuur

Als één onderdeel ontbreekt is er geen vuur!

Slide 22 - Slide

Blussen:
Er zijn dan ook drie manieren om brand te blussen:

  1. Brandstof weghalen
  2. Afkoelen
  3. Zuurstof wegnemen

Slide 23 - Slide

Verbranding
Verbranding is een scheikundige reactie van een brandstof met zuurstof.

Bij verbranding ontstaan nieuwe stoffen, zoals bijvoorbeeld:
  • koolstofdioxide
  • waterdamp

Slide 24 - Slide

Volledige verbranding
Bij voldoende zuurstof ontstaat volledige verbranding.

Kenmerken:
blauwe vlam, weinig vervuiling

Er ontstaan:
koolstofdioxide (CO₂) en waterdamp (H₂O)

Slide 25 - Slide

Onvolledige verbranding
Bij te weinig zuurstof ontstaat onvolledige verbranding.
Kenmerken: gele vlam, veel vervuiling

Er ontstaan:
  • koolstofdioxide
  • waterdamp
  • roet
  • koolstofmonoxide (is giftig)

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Video

Huiswerk:
Lees en maak:
Paragraaf 5.4, Blok C en D

Slide 28 - Slide

Paragraaf 5.5
Temperatuur

Pak je spullen voor aantekeningen op tafel!

Slide 29 - Slide

Leerdoelen
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • vertellen wat temperatuur is en in welke eenheid je deze meet;
  • uitleggen hoe de schaalverdeling op een thermometer werkt;
  • vertellen welke soorten thermometers er bestaan en hoe ze werken;
  • vertellen wat het absolute nulpunt is;
  • graden Celsius en graden kelvin in elkaar omrekenen.

Slide 30 - Slide

Temperatuur meten
Temperatuur geeft aan hoe warm of koud iets is.

Op gevoel kun je temperatuur niet betrouwbaar meten, daarom -> thermometer.

Slide 31 - Slide

Thermometers
Thermometer moet je ijken ->
0 °C = smeltpunt van ijs.
100 °C = kookpunt van water.

De streepjes op een thermometer vormen de schaalverdeling.

Slide 32 - Slide

Bimetaalthermometer

  • Bestaat uit twee verschillende metalen.
  • Bij temperatuurverandering buigt het metaal.
  • Hierdoor beweegt een wijzer langs de schaalverdeling.
Vloeistofthermometer

  • Bevat gekleurde alcohol.
  • Bij warmte zet de vloeistof uit en stijgt.
  • Bij afkoeling krimpt de vloeistof en daalt.

Slide 33 - Slide

Kelvin
De laagste temperatuur = −273 °C  of 0 Kelvin.

273 Kelvin = 0 °C 

Er is wel een laagste, maar geen hoogste temperatuur.

Slide 34 - Slide

Rekenen met Kelvin
Van °C naar K:
Tel 273 erbij op.

Van K naar °C:
Trek 273 af.

Voorbeeld:
20 °C = 293 K
320 K = 47 °C

Slide 35 - Slide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 5.5, blok C en D

Slide 36 - Slide