EVOLUTIE · SOORTVORMING
Examentraining
Evolutie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Examentraining
Evolutie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: John Gould / Wikimedia Commons, publiek domein
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over variatie, selectie en soortvorming beantwoorden met een redenering in stappen.
This item has no instructions
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is de populatie, wat is de selectiedruk en welke eigenschap gaat het om?
2. Zoek: de bron: lees de assen van een grafiek of de vertakkingen van een stamboom.
3. Redeneer: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.
4. Schrijf: gebruik de begrippen en sluit af met je conclusie.
This item has no instructions
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Vraagtype 1: een grafiek of tabel lezen
Lees eerst de assen en de eenheden: wat staat horizontaal en wat verticaal?
Beschrijf de trend met getallen uit de bron, en noem de jaren of gebieden.
Voorbeeld: een stijging van 10% naar 40% is een toename van 30 procentpunten.
Een verandering in frequentie zegt nog niets over de oorzaak: zoek de selectiedruk in de tekst.
This item has no instructions
Wat volgt uit de grafiek over luizen die een luizenmiddel kregen?
Het aandeel resistente luizen nam af vanaf 2016
Het aandeel resistente luizen bleef gelijk
Het aandeel resistente luizen nam toe vanaf 2016
Alle luizen waren in 2022 resistent
Het percentage stijgt van 5% naar 80%. In 2022 is nog 20% niet resistent, dus niet alle luizen. Verwachte fout: denken dat 80% gelijk is aan alle luizen of de trend omkeren. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp
Resistente luizen: 5% naar 80%. Verklaar.
Een goed antwoord: er was variatie door mutatie, het luizenmiddel is de selectiedruk, resistente luizen overleefden en kregen meer nakomelingen, het allel voor resistentie komt vaker voor in de genenpool. Verwachte fout: zeggen dat de luizen resistent werden omdat het middel hen dwong. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Vraagtype 2: selectie verklaren
Een goede verklaring heeft vier stappen: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.
Begin bij de variatie die er al was, niet bij wat het organisme nodig heeft.
Noem de selectiedruk en het gunstige fenotype en zeg waarom dat fenotype meer nakomelingen oplevert.
Sluit af: het allel komt vaker voor in de genenpool.
This item has no instructions
Na droogte blijven harde zaden over. Waarom winnen vinken met stevige snavels?
Vinken met een stevige snavel planten zich meer voort
Vinken laten hun snavel groeien om harde zaden te eten
Droogte veroorzaakt mutaties voor stevige snavels
Vinken met een dunne snavel krijgen juist meer jongen
De selectiedruk is het voedsel: harde zaden. Vinken met een stevige snavel eten ze en krijgen meer nakomelingen. Verwachte fout: denken dat de droogte of oefening de snavel verandert.
Verschil natuurlijke en kunstmatige selectie?
Een goed antwoord: bij natuurlijke selectie bepaalt het milieu (de selectiedruk) welke organismen zich voortplanten, bij kunstmatige selectie kiest de mens. Verwachte fout: alleen een overeenkomst noemen, zoals dat beide uit variatie kiezen.
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Vraagtype 3: soortvorming uitleggen
Beschrijf soortvorming in stappen: isolatie, aparte genenpools, andere mutaties en selectiedruk, geen vruchtbare nakomelingen meer.
Geografische isolatie, zoals een zee of gebergte, is vaak de eerste stap.
Gebruik het begrip reproductieve isolatie: soortvorming is pas klaar als de groepen zich niet meer voortplanten.
Een populatie die er anders uitziet is nog geen nieuwe soort.
This item has no instructions
Een gletsjer splitst een salamanderpopulatie. Wat gebeurt er met de genenpools?
Ze blijven gelijk omdat salamanders niet muteren
Ze gaan hetzelfde veranderen door dezelfde mutaties
Ze mengen zich door de gletsjer tot één genenpool
Ze gaan verschillen door andere mutaties en selectie
Zonder uitwisseling van allelen ontstaan in beide delen andere mutaties en werkt een andere selectiedruk, zodat de allelfrequenties gaan verschillen. Verwachte fout: denken dat dezelfde mutaties in beide populaties optreden.
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Vraagtype 4: stamboom en organen vergelijken
Lees een stamboom van links naar rechts: elke vertakking is een gemeenschappelijke voorouder.
Hoe recenter de gemeenschappelijke voorouder, hoe nauwer de verwantschap.
Homologe organen hebben dezelfde bouw en wijzen op afstamming van een gemeenschappelijke voorouder.
Analoge organen hebben dezelfde functie en zeggen niets over verwantschap.
This item has no instructions
Welke twee soorten in de stamboom zijn het nauwst verwant?
Soort P en soort Q
Soort R en soort S
Soort Q en soort R
Soort P en soort S
R en S delen voorouder 3, de meest recente gemeenschappelijke voorouder. Verwachte fout: soorten kiezen die naast elkaar staan zonder naar de vertakkingen te kijken. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp
Vlinder- en vogelvleugels hebben een andere bouw en oorsprong. Wat zijn ze?
Analoge organen
Homologe organen
Organen die door veredeling zijn ontstaan
Organen van twee populaties van één soort
Zelfde functie, andere oorsprong: analogie. Verwachte fout: homologie kiezen omdat beide vleugels hebben.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een grafiek of tabel lezen
Selectie verklaren
Soortvorming uitleggen
Stamboom en organen vergelijken
Bespreek na de poll het vraagtype dat de meeste leerlingen lastig vinden nog eens met de redeneerketen.
EVOLUTIE · SOORTVORMING
Tips voor op het examen
Gebruik bij selectie altijd de ketting: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.
Selectie werkt op het fenotype, maar de allelfrequentie in de genenpool verandert.
Noem bij soortvorming altijd reproductieve isolatie en geen vruchtbare nakomelingen.
Noem bij een grafiek getallen en eenheden, en noem pas daarna je verklaring.
This item has no instructions