Evolutie en soortvorming (Biologie havo), les 2: Examentraining

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Examentraining

Evolutie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan

1 / 16
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: een grafiek of tabel lezen, selectie verklaren, soortvorming uitleggen en een stamboom of organen vergelijken.

Items in this lesson

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Examentraining

Evolutie en soortvorming: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: John Gould / Wikimedia Commons, publiek domein

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over variatie, selectie en soortvorming beantwoorden met een redenering in stappen.

This item has no instructions

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is de populatie, wat is de selectiedruk en welke eigenschap gaat het om?

  • 2. Zoek: de bron: lees de assen van een grafiek of de vertakkingen van een stamboom.

  • 3. Redeneer: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.

  • 4. Schrijf: gebruik de begrippen en sluit af met je conclusie.

This item has no instructions

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Vraagtype 1: een grafiek of tabel lezen

  • Lees eerst de assen en de eenheden: wat staat horizontaal en wat verticaal?

  • Beschrijf de trend met getallen uit de bron, en noem de jaren of gebieden.

  • Voorbeeld: een stijging van 10% naar 40% is een toename van 30 procentpunten.

  • Een verandering in frequentie zegt nog niets over de oorzaak: zoek de selectiedruk in de tekst.

This item has no instructions

Wat volgt uit de grafiek over luizen die een luizenmiddel kregen?

A

Het aandeel resistente luizen nam af vanaf 2016

B

Het aandeel resistente luizen bleef gelijk

C

Het aandeel resistente luizen nam toe vanaf 2016

D

Alle luizen waren in 2022 resistent

Het percentage stijgt van 5% naar 80%. In 2022 is nog 20% niet resistent, dus niet alle luizen. Verwachte fout: denken dat 80% gelijk is aan alle luizen of de trend omkeren. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp

Resistente luizen: 5% naar 80%. Verklaar.

Een goed antwoord: er was variatie door mutatie, het luizenmiddel is de selectiedruk, resistente luizen overleefden en kregen meer nakomelingen, het allel voor resistentie komt vaker voor in de genenpool. Verwachte fout: zeggen dat de luizen resistent werden omdat het middel hen dwong. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Vraagtype 2: selectie verklaren

  • Een goede verklaring heeft vier stappen: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.

  • Begin bij de variatie die er al was, niet bij wat het organisme nodig heeft.

  • Noem de selectiedruk en het gunstige fenotype en zeg waarom dat fenotype meer nakomelingen oplevert.

  • Sluit af: het allel komt vaker voor in de genenpool.

This item has no instructions

Na droogte blijven harde zaden over. Waarom winnen vinken met stevige snavels?

A

Vinken met een stevige snavel planten zich meer voort

B

Vinken laten hun snavel groeien om harde zaden te eten

C

Droogte veroorzaakt mutaties voor stevige snavels

D

Vinken met een dunne snavel krijgen juist meer jongen

De selectiedruk is het voedsel: harde zaden. Vinken met een stevige snavel eten ze en krijgen meer nakomelingen. Verwachte fout: denken dat de droogte of oefening de snavel verandert.

Verschil natuurlijke en kunstmatige selectie?

Een goed antwoord: bij natuurlijke selectie bepaalt het milieu (de selectiedruk) welke organismen zich voortplanten, bij kunstmatige selectie kiest de mens. Verwachte fout: alleen een overeenkomst noemen, zoals dat beide uit variatie kiezen.

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Vraagtype 3: soortvorming uitleggen

  • Beschrijf soortvorming in stappen: isolatie, aparte genenpools, andere mutaties en selectiedruk, geen vruchtbare nakomelingen meer.

  • Geografische isolatie, zoals een zee of gebergte, is vaak de eerste stap.

  • Gebruik het begrip reproductieve isolatie: soortvorming is pas klaar als de groepen zich niet meer voortplanten.

  • Een populatie die er anders uitziet is nog geen nieuwe soort.

This item has no instructions

Een gletsjer splitst een salamanderpopulatie. Wat gebeurt er met de genenpools?

A

Ze blijven gelijk omdat salamanders niet muteren

B

Ze gaan hetzelfde veranderen door dezelfde mutaties

C

Ze mengen zich door de gletsjer tot één genenpool

D

Ze gaan verschillen door andere mutaties en selectie

Zonder uitwisseling van allelen ontstaan in beide delen andere mutaties en werkt een andere selectiedruk, zodat de allelfrequenties gaan verschillen. Verwachte fout: denken dat dezelfde mutaties in beide populaties optreden.

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Vraagtype 4: stamboom en organen vergelijken

  • Lees een stamboom van links naar rechts: elke vertakking is een gemeenschappelijke voorouder.

  • Hoe recenter de gemeenschappelijke voorouder, hoe nauwer de verwantschap.

  • Homologe organen hebben dezelfde bouw en wijzen op afstamming van een gemeenschappelijke voorouder.

  • Analoge organen hebben dezelfde functie en zeggen niets over verwantschap.

This item has no instructions

Welke twee soorten in de stamboom zijn het nauwst verwant?

A

Soort P en soort Q

B

Soort R en soort S

C

Soort Q en soort R

D

Soort P en soort S

R en S delen voorouder 3, de meest recente gemeenschappelijke voorouder. Verwachte fout: soorten kiezen die naast elkaar staan zonder naar de vertakkingen te kijken. Image credit: Eigen afbeelding, LessonUp

Vlinder- en vogelvleugels hebben een andere bouw en oorsprong. Wat zijn ze?

A

Analoge organen

B

Homologe organen

C

Organen die door veredeling zijn ontstaan

D

Organen van twee populaties van één soort

Zelfde functie, andere oorsprong: analogie. Verwachte fout: homologie kiezen omdat beide vleugels hebben.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een grafiek of tabel lezen

2

Selectie verklaren

3

Soortvorming uitleggen

4

Stamboom en organen vergelijken

Bespreek na de poll het vraagtype dat de meeste leerlingen lastig vinden nog eens met de redeneerketen.

EVOLUTIE · SOORTVORMING

Tips voor op het examen

  • Gebruik bij selectie altijd de ketting: variatie, selectiedruk, meer nakomelingen, andere allelfrequentie.

  • Selectie werkt op het fenotype, maar de allelfrequentie in de genenpool verandert.

  • Noem bij soortvorming altijd reproductieve isolatie en geen vruchtbare nakomelingen.

  • Noem bij een grafiek getallen en eenheden, en noem pas daarna je verklaring.

This item has no instructions