basisstof 6 thema 7 VMBO4 Transplantaties en bloedtransfusies

Transplantaties en bloedtransfusies
1 / 27
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Transplantaties en bloedtransfusies

Slide 1 - Slide

Wat is een transplantatie?

Bij een transplantatie wordt een aangetast weefsel of orgaan van een patient vervangen door een ander weefsel of orgaan. Dit is bij voorkeur van de patient zelf afkomstig en anders van een verwant persoon (een donor). Is het weefsel echter afkomstig van een donor dan vormen afstotingsreacties een groot probleem.  

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Slide 4 - Link

Slide 5 - Video

Bloedgroepen

Slide 6 - Slide

bloedgroepen en transfusies

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Link

In de volgende dia's staan een aantal oefenopgaven!

Slide 9 - Slide

Welke bloedgroep kan alle bloedgroepen ontvangen?
A
Bloedgroep A
B
Bloedgroep B
C
Bloedgroep AB
D
Bloedgroep O

Slide 10 - Quiz

Aan welke bloedgroep kan O geven
A
A
B
B
C
AB
D
Alle bloedgroepen

Slide 11 - Quiz

Iemand heeft bloedgroep AB.
Deze persoon kan donor zijn voor mensen met de bloedgroepen...
A
A
B
B
C
AB
D
0

Slide 12 - Quiz

Op het celmembraan van rode bloedcellen kunnen zich antigenen bevinden die bepalend zijn voor de bloedgroepen van het AB0-systeem. Wetenschappers zijn erin geslaagd deze antigenen te verwijderen. Bloedcellen zonder die antigenen wil men gebruiken voor bloedtransfusie.
Welke mensen zouden zulke rode bloedcellen kunnen ontvangen zonder dat er samenklontering plaatsvindt?
A
alleen mensen met bloedgroep 0
B
alleen mensen met de bloedgroepen 0 en AB
C
alleen mensen met de bloedgroepen A en B
D
mensen met de bloedgroepen 0, A, B en AB

Slide 13 - Quiz

Welke antistoffen tegen de bloedgroepen maakt een persoon met bloedgroep AB?
11
A
Anti A
B
Anti B
C
Anti A en anti B
D
Geen antistoffen

Slide 14 - Quiz

Van welke bloedgroepen kan iemand met A ontvangen?
A
Alleen A
B
A en B
C
A, AB en 0
D
A en 0

Slide 15 - Quiz

Welke bloedgroepen zijn er allemaal?
A
A, B, AB en 0
B
A, B en 0
C
A, A0, B, B0, AB, AB0 en 0
D
A, B en AB

Slide 16 - Quiz

Iemand heeft bloed groep O. Van welke bloedgroepen kan deze persoon bloed ontvangen bij een bloedtransfusie (we kijken nu even niet naar de resusfactor).
A
Alleen van bloedgroep O.
B
Alleen van bloedgroep B of O.
C
Alleen van de bloedgroeppen A of O.
D
Of bloed van de bloedgroepen B, AB, A of O.

Slide 17 - Quiz

Iemand heeft bloed groep B. Van welke bloedgroepen kan deze persoon bloed ontvangen bij een bloedtransfusie (we kijken nu even niet naar de resusfactor).
A
Alleen van bloedgroep B.
B
Alleen van bloedgroep B of O.
C
Alleen van de bloedgroeppen AB of B.
D
Of bloed van de bloedgroepen B, AB of O.

Slide 18 - Quiz

Als gelet wordt op de weefseltypen komen drie paren voor een ruiltransplantatie met Joris en Anne in aanmerking. In de tabel hiernaast staan de bloedgroepen van deze drie paren vermeld.

Als gelet wordt op de bloedgroepen, welk paar is dan geschikt om met Joris en Anne een ruiltransplantatie te ondergaan?
Anne heeft bloedgroep B. Ze zoekt dus een donor met bloedgroep B
Joris heeft bloedgroep A. Hij kan zijn nier schenken aan een patiënt met bloedgroep A
A
paar 1
B
paar 2
C
paar 3

Slide 19 - Quiz

Bij katten komen verschillende bloedgroepen voor. Bloedgroep A komt het meest voor, bloedgroep B is veel zeldzamer. Bloedgroep A wordt bij katten bepaald door een dominant gen. Katten die homozygoot recessief zijn, hebben bloedgroep B.
De poes van Claudette krijgt twee jongen. Claudette weet niet wie de vader is. In de stamboom kun je zien welke bloedgroepen de poes en haar twee jongen hebben. Wat is de bloedgroep van de vader?
A
bloedgroep A
B
bloedgroep B
C
Dat is uit de gegevens niet af te leiden.

Slide 20 - Quiz

Anne is nierpatiënt. Haar man Joris biedt zich als nierdonor voor Anne aan. De weefseltypen van beiden komen voldoende overeen. Anne heeft bloedgroep B en Joris heeft bloedgroep A. Gelet op de bloedgroepen is Joris geen geschikte donor voor Anne. Wat is hiervoor de reden?
A
Het bloed van Anne bevat anti-A.
B
Het bloed van Anne bevat antigeen B.
C
Het bloed van Anne bevat anti-B.

Slide 21 - Quiz

Tot voor kort kon een niertransplantatie alleen plaatsvinden als de donor en de ontvanger passende bloedgroepen hadden. Door een nieuwe techniek speelt de bloedgroep bij deze transplantatie geen rol meer. Bij die techniek worden bij de nierpatiënt de antistoffen tegen de donorbloedgroep uit het bloed gefilterd. Alle andere antistoffen gaan terug in het lichaam.

Jasmijn is nierpatiënt en komt in aanmerking voor een niertransplantatie. Ze heeft bloedgroep 0. Door de nieuwe techniek kan zij van haar broer Mark een donornier ontvangen. Mark heeft bloedgroep A.
Voordat de transplantatie wordt uitgevoerd, wordt het bloed van Jasmijn gefilterd.

Welke antistoffen worden uit haar bloed verwijderd?
A
alleen anti-A
B
alleen anti-B
C
anti-A en anti-B

Slide 22 - Quiz

Kun je elke nier gebruiken voor transplantatie?
A
ja
B
nee

Slide 23 - Quiz

Iemand met leukemie heeft een transplantatie met bloedcellen nodig. Uit welk botten haalt de arts die?
A
Borstbeen
B
Ellepijp
C
Heupbeen
D
Opperarmbeen

Slide 24 - Quiz

Als je ongezond leeft, bijvoorbeeld als je rookt of regelmatig alcohol drinkt, kan je dan
nog orgaandonor zijn?
A
Nee, als je je gezondheid verwaarloost, worden je organen aangetast en zijn ze niet meer bruikbaar voor iemand anders.
B
Ja, je kan nog donor zijn. Een ongezonde levensstijl kan je organen aantasten, maar soms zijn deze organen nog bruikbaar voor transplantatie.

Slide 25 - Quiz

Na een transplantatie van bijvoorbeeld een nier kunnen na enige tijd afstotingsverschijnselen bij de ontvanger optreden.
Twee voorbeelden van een niertransplantatie zijn:

1 transplantatie van een gezonde nier afkomstig van een ééneiige tweelingbroer van de ontvanger,
2 transplantatie van een gezonde nier afkomstig van een neef van de ontvanger.

Bij welke transplantatie is de kans op afstotingsverschijnselen het kleinst? Of maakt het geen verschil?
Hoe meer de cellen (dus de antigenen) op elkaar lijken, hoe minder de afstoting.
Bij een tweelingbroer zijn ze zelfs precies hetzelfde, dus is de kans op afstoting erg klein
A
Transplantatie 1
B
Transplantatie 2
C
Dat maakt geen verschil

Slide 26 - Quiz

Slide 27 - Link