6 vwo, tweede les, evenwichten en molberekening

Evenwichten en molberekening.
De basis:

Noteer de reactievergelijking van de verbranding van propaan.
Noteer de molverhouding er onder.
1 / 14
next
Slide 1: Slide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

This lesson contains 14 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Evenwichten en molberekening.
De basis:

Noteer de reactievergelijking van de verbranding van propaan.
Noteer de molverhouding er onder.

Slide 1 - Slide

Dusssss:
                                      C3H8   +  5 O2   --> 3 CO2   +  4 H2O
molverhouding          1        :       5         :        3         :         4
Dus als ik we 1 mol propaan verbranden ontstaan er 3 mol CO2 
Als we              2 mol propaan verbranden ontstaan er ..... mol CO2
Als we            0,5 mol propaan verbranden ontstaan er......mol CO2
Hoeveel mol propaan moeten we verbranden om 1 kg CO2 te krijgen?

Dit soort rekenwerk moet lekker vlot gaan, oefen er evt. nog een paar!

Slide 2 - Slide

Nu in een evenwicht:
In een evenwichtssituatie zijn alle stoffen, zowel de beginstoffen als de reactieproducten aanwezig.
Dynamisch evenwicht:
Micro: De reactie naar rechts vindt nog steeds plaats en ok de reactie naar links.
Macro: In een evenwichtssituatie zijn de concentraties van alle stoffen constant.

Slide 3 - Slide

Let op:
Misconcept I: 
De concentraties van alle stoffen, uitgangsstoffen en reactieproducten zijn in een evenwichtssituatie constant.
Niet gelijk!!!!!!!!!!!!

De K die we kunnen berekenen of waarmee we kunnen rekenen verandert allen als de T verandert!

Slide 4 - Slide

Voorbeeld:
                                            N2O(g)    <=>    2 NO(g)
molverhouding               1                             2
Dus: als er 1 mol N2O helemaal reageert, onstaan er 2 mol NO2 .
In een evenwicht waren echter alle stoffen, de uitgangsstoffen en de reactieproducten nog aanwezig.

Slide 5 - Slide

Evenwicht:
                                            N2O(g)    <=>    2 NO (g)
molverhouding               1                             2
Dus:  er reageert bijvoorbeeld maar 0,5  mol N2O4 .
             er onstaat dan 2 x 0,5 = 1 mol NO2 .
Stel, er reageert 0,75 mol N2O4, hoeveel mol NO2 ontstaat er?
Stel, er reageert 0,25 mol N2O4, hoeveel mol NO2 ontstaat er?

Slide 6 - Slide

Evenwicht:
                                            N2O(g)    <=>    2 NO2 (g)
molverhouding               1                             2

Als we dus beginnen met 1 mol N2O4 en we zeggen dat er 0,5 mol reageert, blijft er ook 0,5 mol N2O4 over en is er 2x0,5 mol NO2 ontstaan.

Slide 7 - Slide

Homogeen:
In ons voorbeeld staan alle stoffen in de gasfase, dus homogeen, dus alles in de voorwaarde!

De voorwaarde is dan      [ NO2 ] 2  /  [ N2O ]                    (rechts over links)

De vierkante haakjes betekenen concentratie in mol/liter, dus niet de  "2" van de NO erbij zetten!!!!

Deze breuk heeft ook een K waarde, Binas 51.
Beredeneer  in welke richting dit evenwicht verschuift als we de temperatuur verhogen?
(Uitgaande van een vaste verhouding in een gesloten reactievat:))

Slide 8 - Slide

Even oefenenen:
In een gesloten reactievat van 1,0L breng je 0,75 mol N2O en 0,50 mol NO2 in gasvorm.
Na enige tijd heeeft zich een evenwicht ingesteld.
Er is in de evenwichtssituatie 0,40 mol NO2.
a. Hoeveel mol stikstofdioxide heeft er gereageerd?
b. Hoeveel mol distikstoftetraoxide is er ontstaan?
c. Hoeveel mol distikstoftetraoxide zit er in het vat?
d. Bereken de K waarde.

(Werk bijvoorbeeld met de BOE)

Slide 9 - Slide

Let op:
Misconcept II:
Vaste stoffen en (zuivere) vloeistoffen NIET in de voorwaarde opnemen, ze vallen weg doordat ze altijd een vaste concentratie hebben!

Slide 10 - Slide

Nu voor b.v. een zout:
Ik doe een hoeveelheid calciumsulfaat in een bekerglas met water.

a. Geef de reactievergelijking.
b. Noteer de molverhouding eronder.
c. Geef de voorwaarde, en vervolgens meteen de "breuk" met Ks
     (Het wordt een product:) Gebruik Binas 45 en 46)



Slide 11 - Slide

Rekenen:
Bereken de concentratie van Ca2+ ionen in het evenwicht.

Slide 12 - Slide

Nu nog een oefening met de zuren:
Azijnzuuroplossing: In het lab krijg je een oplossing van 0,1 M azijnzuur.
a. Bereken de H30+
b. Berken de pH
c. Bereen Ac- bij een pH van 5, deze pH kun je b.v. met een buffer bereiken.
(Noteer voor jezelf eerst ook alle stapjes/formules en Binas tabellen)

Slide 13 - Slide

Samen:
Probeer deze opdrachten zelf.
Samen? Vrijdag op verzoek videoles.
Opsturen mag ook, graag zaterdag, dan kan ik ze zondag bekijken.
Via mail of foto in de app!

Slide 14 - Slide