Present Continuous (duurvorm)


Present Simple
Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Feiten, gewoontes en herhaaldelijke gebeurtenissen
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets in het verleden is gebeurd.
D
Wanneer iets in het verleden is begonnen en nu nog bezig is.
1 / 26
next
Slide 1: Quiz
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1,2

This lesson contains 26 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson


Present Simple
Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Feiten, gewoontes en herhaaldelijke gebeurtenissen
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets in het verleden is gebeurd.
D
Wanneer iets in het verleden is begonnen en nu nog bezig is.

Slide 1 - Quiz

Present simple:

Wat is de regel van de present simple?
timer
0:30
A
ww + -ed
B
stam (bij I, you, we, they) stam + s (bij he, she, it)
C
vorm van to be + ww + -ing

Slide 2 - Quiz

Slide 3 - Slide

Slide 4 - Slide

Present Continuous

Slide 5 - Slide

Present continuous
Wanneer?

Slide 6 - Slide

Wanneer gebruik je de present continuous?
A
Als iets altijd, nooit of regelmatig gebeurd
B
Als iets in de toekomst gebeurd
C
Als iets nu aan de gang is.
D
Als iets in het verleden gebeurd.

Slide 7 - Quiz

We_____ _______to our teacher right now.
A
are listen
B
is listening
C
are listening
D
is listen

Slide 8 - Quiz

Present continuous 
Gebruik:
  • iets is nu aan de gang
  • iemand is nu iets aan het doen
I am explaining the present continuous.  

You are making notes.  


She is listening to the teacher.  

Slide 9 - Slide

Present continuous 
Vorm:
1. vorm van 'to be': am / are / is
2. werkwoord
3. + -ing
am doing the dishes right now.


My parents are watching TV.
Verkorte vorm: I'm doing / She's listening / We're watching
Formule: am/ are / is + ww + -ing

Slide 10 - Slide

Present continuous 
Spellingsregels:
  • Eindigt het werkwoord op een -e, dan valt de -e weg
(to have)     I am having lunch.
(to give)   He is giving us homework.

  • Werkwoord van 1 lettergreep met een korte klinker (a, e, i, o, u), verdubbel dan de medeklinker
(to put)     We are putting sugar in his tea.
(to run)   She is running a marathon.

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Wat is het verschil?
- I work at the bank
- I am working at the bank

Slide 13 - Slide

Present Continuous Quiz
Select the right answer to make a correct "Present Continuous" sentence.

Slide 14 - Slide

Vul in:
Willem _______ (write) at the moment.
A
writes
B
is writing
C
writed
D
wrote

Slide 15 - Quiz

Vul in:
"What are you doing?"
"I ______ (do) my homework"
A
do
B
does
C
am doing
D
did

Slide 16 - Quiz

I ___ ___ singing a song in the shower right now.
A
am not singing
B
amn't singing
C
aren't singing
D
isn't singing

Slide 17 - Quiz

My brothers ___ ___ soccer outside.
A
am playing
B
are playing
C
is playing

Slide 18 - Quiz

Sue ___ ___ her homework at the moment.
A
am not doing
B
aren't doing
C
isn't doing

Slide 19 - Quiz

___ you ___ eating some fries?
A
am ... eating?
B
are ... eating?
C
is ... eating?

Slide 20 - Quiz

You're the reason why I .... in the mirror,
.... in the shower.
present continuous-1

Slide 21 - Open question

Listen and fill in the gaps:
'Cause today I swear I ... anything.
present continuous-2

Slide 22 - Open question

Listen and fill in the gaps:
... and so are you.
present continuous-3

Slide 23 - Open question

Use the present continuous
I ....................  ( wear) a sweater.
He  ...............  ( go) to the concert.
We ................  (swim) now.
We ..................  (play) hockey.
I .................     (sing) a song.
She ............  (have) fun.
 He ..............   ( eat) an apple.





Slide 24 - Slide

Snap je hoe je de present continuous maakt en toepast in een zin?
A
Ja
B
Nee
C
Mwahhh

Slide 25 - Quiz

Wat te doen:
- Maak 3.2 in de methode op NuEngels
- De mensen die nog moeten inhalen/herkansen voor de toets voor hoofdstuk 2 kunnen hier ook voor leren

Slide 26 - Slide