Rekentaal
1F
Ik weet dat rekenen een eigen taal heeft.
Rekentaal
1F
Ik weet dat rekenen een eigen taal heeft.
Rekentaal
Welke woorden hebben te maken met + ?
Welke woorden hebben te maken met - ?
Welke woorden hebben te maken met : ?
Rekentaal over hoeveel
veel - weinig - een beetje
meer - minder
alle(maal) - geen
evenveel
extra
Rekentaal bij vergelijken
veel - meer - meest weinig - minder - minst
lang - langer - langst
kort - korter - kortst
groot - groter - grootst
klein - kleiner - kleinst
vol - voller - volst
leeg - leger - leegst
Plaatsbepaling
(voorzetsels)
boven - onder
hoog - laag
links - midden of centrum - rechts
onder - op
achter - voor
eerder - later, voor - na, gisteren - vandaag
Seizoenen
winter: 21 december-januari-februari
lente: 21 maart-april-mei
zomer: 21 juli-augustus- september
herfst: 21 oktober-november- december.