les 4; 3 maart angst en angstig gedrag

les 4 3 maart
angst en angstig gedrag


1 / 32
next
Slide 1: Slide
Pedagogisch werkMBOStudiejaar 2

This lesson contains 32 slides, with text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

les 4 3 maart
angst en angstig gedrag


Slide 1 - Slide

This item has no instructions

inhoud les
terugblik
angst en angstig gedrag pwb 12.4.3

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

terugblik
agressie
teruggetrokken gedrag
poster over agressie gemaakt

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

lesdoelen
  1. De studenten kunnen twee soorten angst herkennen,​
  2. De student kent drie soorten faalangst en kan deze herkennen a.d.h.v. voorbeelden​
  3. De student kan fysiologische en gedragsmatige kenmerken herkennen die kunnen duiden op faalangst.​
  4. De student kent het begrip regressief gedrag en kan hier een voorbeeld bij geven




Slide 4 - Slide

This item has no instructions

terugblik

Slide 5 - Slide

This item has no instructions

soorten agressie
verbale en non verbale agressie

verborgen en openlijke agressie

Slide 6 - Slide

verbaal;  woorden, schoppen en slaan
non verbaal: gebaren, gebalde vuisten gezichtsuitdrukkingen, met deuren slaan, iemand negeren.

verbaal komt veel vaker voor

verborgen is het geniepige, of een onderhuidse opmerking maken
openlijke is zichtbaar
casus voorbeeld verborgen agressie
De situatie: In een klaslokaal heeft de leerkracht net een nieuwe opdracht uitgelegd. De 10-jarige Julian, die bekend staat als een pientere leerling, vindt de opdracht eigenlijk beneden zijn niveau en voelt zich gefrustreerd dat hij zijn tijd hieraan moet besteden.

Het gedrag: In plaats van te weigeren, loopt Julian naar de leerkracht en zegt met een brede glimlach: "Wat fijn dat u deze opdracht zo simpel heeft gehouden, nu kan zelfs de rest van de klas het eindelijk een keer begrijpen."

Dit lijkt op het eerste gezicht een compliment (vleiend), maar de onderliggende boodschap is een aanval op zowel de intelligentie van zijn klasgenoten als de keuzes van de leerkracht. Het is een vorm van sociale dominantie en agressie verpakt in een "vriendelijke" opmerking.

Slide 7 - Slide

This item has no instructions

casus voorbeeld openlijk agressief gedrag
De situatie: Tijdens het buitenspelen op het schoolplein ontstaat er een meningsverschil bij een potje voetbal. De 9-jarige Bram is het niet eens met een beslissing van een medeleerling die hem "af" verklaarde.

Het gedrag: Bram reageert direct en fysiek. Hij roept hard: "Houd je kop, jij valsspeler!", geeft de andere leerling een harde duw tegen zijn schouders en trapt de voetbal met volle kracht over het hek van het schoolplein heen.

Dit gedrag is direct herkenbaar als agressie. Er is sprake van schelden, fysiek contact (vechten/duwen) en het vernielen of onbruikbaar maken van spullen (de bal wegtrappen). De frustratie wordt zonder filter geuit.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

teruggetrokken gedrag
  • kan langdurig of tijdelijk zijn
  • kind is in zichzelf gekeerd, weinig tot geen contact met omgeving
  • weinig sociale interactie
  • oorzaken???

Slide 9 - Slide

🔹 Emotionele oorzaken
Onzekerheid of laag zelfbeeld
Angst (bijvoorbeeld sociale angst)
Verdriet of rouw
Depressieve gevoelens
Schaamte
🔹 Sociale oorzaken
Gepest worden
Moeite hebben met sociale vaardigheden
Geen aansluiting vinden bij een groep
Conflicten thuis of op school/werk
🔹 Psychische oorzaken
Depressie
Angststoornis
Autisme
Trauma
🔹 Omgevingsfactoren
Stress
Veranderingen (nieuwe school, verhuizing, scheiding)
Onveilige thuissituatie
stellingen
Straf werkt beter dan belonen bij het verminderen van agressief gedrag

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

stellingen
Mannen vertonen vaker fysiek agressief gedrag dan vrouwen

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

stellingen
Geweld in de media draagt bij aan agressiever gedrag bij jongeren

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

angst en angstig gedrag

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Angst en angstig gedrag
Wat versta jij onder angstig gedrag?​



Beschrijf een situatie waarin jij angstig gedrag bent tegen gekomen op de BPV.


Slide 14 - Slide

This item has no instructions

wat is angst?
een overlevingsmechanisme dat in ieder levend wezen, mens en dier aanwezig is.

het is een kracht die ons behoedt voor gevaren en het nemen van te grote risico's. Angst is noodzakelijk, het zorgt ervoor dat we in risicovolle situaties snel en juist handelen

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

ontwikkelingspsycholoog Pavlov
welk voorbeeld is hier van voor angst?

Slide 16 - Slide

ooit gebeten zijn, elke hond die je ziet maakt je angstig of bang

Dat voorbeeld hoort klassiek bij Ivan Pavlov 👍
(en in de ontwikkelings- en leerpsychologie heet dit klassieke conditionering).

Uitleg in jouw voorbeeld:

Oorspronkelijke neutrale prikkel: een hond

Ongeconditioneerde stimulus: gebeten worden (pijn/ schrik)

Ongeconditioneerde reactie: angst

Na de ervaring:
→ alleen het zien van een hond roept automatisch angst op

Dat leerproces = klassieke conditionering.

dat voorbeeld met het belletje en de hond is het klassieke experiment van Ivan Pavlov.

Kort en duidelijk:

Eerst:
🔔 Belletje → geen reactie
🍖 Eten → speeksel

Tijdens het leren:
🔔 + 🍖 → speeksel

Daarna:
🔔 alleen → speeksel

👉 Bij jouw voorbeeld:

Hond = “belletje”

Gebeten worden = “eten” (de sterke prikkel)

Angst = speekselreactie

Dus ja:
hond zien → bang zijn
= klassieke conditionering (Pavlov)
opdracht 
12.07 video over angst

Slide 17 - Slide

antwoorden opdracht

a. Wanneer het je leven gaat beheersen en wanneer de angst niet meer weggaat.
b. Hyperventilatie, hoofdpijn, buikpijn, misselijk en overgeven.

Slide 18 - Video

opdracht 12.07 maken
antwoorden zijn:
a. Wanneer het je leven gaat beheersen en wanneer de angst niet meer weggaat.
b. Hyperventilatie, hoofdpijn, buikpijn, misselijk en overgeven.

2 soorten angst
functionele en afwijkende angst


Slide 19 - Slide

functionele angst
Tijdens het buitenspelen wil een peuter van de glijbaan. Bovenaan kijkt het kind even gespannen en houdt zich stevig vast.

Gedrag:
Het kind zegt: “Ik vind het een beetje spannend,” en wacht tot de pedagogisch medewerker in de buurt is.

Waarom dit functionele angst is:

De glijbaan is echt een beetje spannend

De angst is mild en passend

Het kind zoekt steun

Het belemmert het spelen niet blijvend

Het helpt het kind voorzichtig te zijn

✅ De angst heeft een beschermende functie.


afwijkende angst:
In de groepsruimte hangt al maanden dezelfde knuffel aan de muur. Een peuter raakt telkens overstuur wanneer hij de knuffel ziet en wil de ruimte niet meer in.

Waarom dit afwijkende angst is:

er is geen reëel gevaar

reactie is buiten proportie

angst houdt langdurig aan

het belemmert het dagelijks functioneren
2 soorten afwijkende angst

Slide 20 - Slide

voorbeeld concrete angst:
Een peuter schrikt en wordt bang wanneer een grote hond hard begint te blaffen tijdens het buitenspelen.

Waarom concreet:

er is een duidelijke prikkel (hard blaffen)

irrationele angst:
Een peuter raakt elke dag in paniek van de kapstok in de gang, terwijl er niets engs aan is.

Waarom irrationeel:

geen reëel gevaar

angst is moeilijk te verklaren

reactie is buiten proportie

de angstreactie is begrijpelijk

het helpt het kind voorzichtig te zijn

Slide 21 - Video

hoe kan angst zich uiten?


weten jullie of dit op school bestaat en waar jullie ouders naar kunnen verwijzen
opdracht 
12.08

Slide 22 - Slide

a. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - Dakia is zo bang fouten te maken bij opdrachten die te maken hebben met getalbegrip, zoals meer - minder, groter – kleiner, schatten hoeveel er ligt, enzovoort dat ze dichtklapt en gaat huilen op het moment dat ze een dergelijke opdracht moet maken.
        - Bob is zo bang dat hij iets kapot maakt en dan straf krijgt dat hij niet durft te helpen met het opruimen van de schoteltjes na het verven.
b. Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
        De student kan bijvoorbeeld noemen:
        - Lieve wordt al bang als ze hoort dat ze woordjes gaan schrijven, ze kan wel schrijven, maar toch lukt het niet als ze dit klassikaal moeten doen.
        Chris durft niet mee te doen aan de tekenopdracht die de klas heeft gekregen. Hij is bang niet mooi genoeg te kunnen tekenen en uitgelachen te worden, daarom tekent hij maar niks.
c. Bij reële angst is het verklaarbaar waar de angst vandaan komt. Bij irrationele angst is de oorzaak van de angst niet te herleiden.

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

faalangst
Definitie: 
betekent dat een kind zo bang is om iets fout te doen, dat het er heel zenuwachtig van wordt en soms niet meer goed durft te proberen.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Faalangst  12.4.4
Positieve faalangst​



Negatieve  faalangst​


 

Slide 25 - Slide

positief is wel een probleem, het kind uit op dezelfde manier als negatiefe faalangst zijn onzekerheid., gedachten zijn 100 % negatief, maar resultaat juis positief

negateiev, zorgt voor black out, met spreekbeurten gaan hakkelen en stotteren. waardoor je door hte niet gewenste resultaat nog onzekereder wordt.
opdracht
12.09

Slide 26 - Slide

antwoorden
a. Ze is perfectionistisch en houdt graag de controle.
b. 1 op de 10 kinderen heeft last van faalangst. c. Er heerst een grote tijdsdruk en er is meer keuze. d. De druk om niet te mislukken is groot. e. Kinderen krijgen ademhalingsoefeningen zodat ze deze kunnen inzetten op momenten dat ze het moeilijk hebben en stress ervaren. f. Ze moeten leren om zo te denken dat ze door deze gedachtes geholpen worden en niet geblokkeerd worden.
1 op de 10 kinderen heeft last van faalangst.
c. Er heerst een grote tijdsdruk en er is meer keuze.
d. De druk om niet te mislukken is groot.
e. Kinderen krijgen ademhalingsoefeningen zodat ze deze kunnen inzetten op momenten dat ze het moeilijk hebben en stress ervaren.
f. Ze moeten leren om zo te denken dat ze door deze gedachtes geholpen worden en niet geblokkeerd worden.

3 soorten faalangst

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

kenmerken
1 fysiologische/ fysieke kenmerken
Zijn reacties die lichamelijk waarneembaar en ​of voelbaar zijn.
2. gedragsmatige kernmerken
Zijn verschijnselen van faalangst die terug te vinden zijn in het gedrag van iemand met faalangst.

lees zelf de kenmerken op blz 228-229

Slide 28 - Slide

This item has no instructions

opdracht 
12.10 en 12.11

Slide 29 - Slide

12.10
naar eigen inzicht invullen
12.11
Deze opdracht kan de student naar eigen invulling beantwoorden.
De student kan bijvoorbeeld noemen:
- Met het kind in gesprek gaan.
- Door middel van een spel en ondertussen goed opletten wat het kind doet en zegt en daarover eventueel het gesprek aangaan.
- Samen met het kind iets creatiefs of sportiefs doen en ondertussen goed opletten wat het kind doet en zegt en daarover eventueel het gesprek aangaan.
opdracht
12.12

Slide 30 - Slide

a. Gebeurtenis = faalangst
        Gedachte = wat denk je?
        Gevoel = wat voel je als je zo denkt?
        Gedrag = wat doe je als je zo denkt en je zo voelt? Loop je weg, wordt je boos, etc.
        Gevolg = je gedachte kan weer negatief worden
b. De gedachte, deze kun je namelijk zelf beïnvloeden door je negatieve gedachtes positief om te buigen.

waar hebben kinderen behoefte aan?
l



lees blz 230  en maak de opdracht 12.13

Slide 31 - Slide

- Een veilig werkklimaat: Samen met de kinderen groepsregels afspreken en elke dag kijken hoe het is gegaan. Samen met de kinderen een beloningsysteem bedenken.
Als er conflicten ontstaan hier samen met de kinderen het gesprek over aangaan en de kinderen het zoveel mogelijk zelf laten oplossen.
Samen met de kinderen afspreken dat fouten maken mag en dat ze elkaar helpen als iemand iets moeilijk vindt.
- Een duidelijke en overzichtelijke structuur: Een dagritme kaart ophangen. Op het bord de invulling van de dag en/of week laten zien. Een kalender ophangen waar de speciale feesten en vakanties op staan. Met thema’s werken.
- Feedback die gericht is op de taak: Samen met het faalangstige kind de afspraak maken dat je de taak direct na het afronden ervan nakijkt en bespreekt. Bij rekenen bijvoorbeeld aangeven welke som goed is uitgerekend en welke niet. Bij taal bijvoorbeeld kijken welke woorden goed geschreven zijn en welke niet.
- Positieve reële verwachtingen vanuit de omgeving: Samen met het kind, doelen opstellen voordat het aan een taak begint, waarbij erop gelet wordt dat de doelen ook echt haalbaar zijn en niet te makkelijk of moeilijk. Positieve ervaringen opdoen is hierin heel belangrijk.

opdracht
Infographic maken (via bijvoorbeeld Canva)​

Kenmerken angst en angstiggedrag​
Tip hoe je hier mee om kunt gaan​
linkje naar website met meer informatie​
Illustreer met plaatjes en kleur



Slide 32 - Slide

This item has no instructions