carnaval rekenen

Carnaval rekenen
1 / 14
next
Slide 1: Slide
RekenenISK

This lesson contains 14 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Carnaval rekenen

Slide 1 - Slide


Wat is “inkomen”?



A
Het geld dat je betaalt voor iets
B
Het geld dat je ontvangt, bijvoorbeeld uit kaartverkoop
C
Het totaal van alle kosten en winst

Slide 2 - Quiz

Wat zijn “uitgaven”?
A
Het geld dat je betaalt, bijvoorbeeld voor zaal of snoep
B
Het geld dat je ontvangt
C
Het geld dat overblijft als winst

Slide 3 - Quiz

Wat betekent “verlies”?
A
Als de kosten hoger zijn dan de inkomsten
B
Als je meer geld overhoudt dan verwacht
C
Het geld dat je van iemand krijgt

Slide 4 - Quiz

Wat betekent “winst”?
A
Het geld dat overblijft nadat alle kosten betaald zijn
B
Het geld dat je moet betalen
C
Het totaal van alle kosten

Slide 5 - Quiz

Een schoolfeest kost €500 (uitgaven). De kaartjes leveren €600 op (inkomen). Hoeveel winst is er?
A
100 euro
B
-100 euro
C
600 euro
D
500 euro

Slide 6 - Quiz

Een feest kost €700, maar de kaartjes leveren €600 op. Wat is dit?
A
winst
B
verlies
C
inkomen

Slide 7 - Quiz

Als de inkomsten en uitgaven gelijk zijn, wat is de winst dan?
A
positief
B
negatief
C
0

Slide 8 - Quiz

Welke zin is juist?
A
Inkomen − Uitgaven = Winst
B
Uitgaven − Inkomen = Inkomen
C
Winst − Uitgaven = Inkomen

Slide 9 - Quiz

Kunnen jullie alle meetopdrachten uitvoeren voor 11u? Dan volgt er een mini carnavalsfeestje!

Slide 10 - Slide

Slide 11 - Slide

Slide 12 - Slide

Slide 13 - Slide

Slide 14 - Slide