Ruil over de tijd en rente (Economie vwo), les 2: Examentraining

TIJD · RUIL EN RENTE

Examentraining

Ruil over de tijd en rente: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vragen over eindwaarde en rente, nu of later kiezen met contante waarde, reële grootheden en rente, risico en financiële sector.

Items in this lesson

TIJD · RUIL EN RENTE

Examentraining

Ruil over de tijd en rente: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: C messier / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

TIJD · RUIL EN RENTE

Wat ga je kunnen?

Ik kan examenvragen over eindwaarde, contante waarde, reële rente en renteverschillen beantwoorden en berekenen.

This item has no instructions

TIJD · RUIL EN RENTE

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welk bedrag, welke rente, hoeveel jaar, en is de rente nominaal of reëel?

  • 2. Kies: eindwaarde (naar later, vermenigvuldigen) of contante waarde (naar nu, delen).

  • 3. Reken: met (1 + r)^n en rond pas aan het eind af.

  • 4. Controleer: kan de richting kloppen? Een eindwaarde is hoger dan het begin, een contante waarde lager dan het eind.

This item has no instructions

TIJD · RUIL EN RENTE

1.000 euro bij 5% rente: eindwaarde naar rechts, contante waarde naar links

Vraagtype 1: eindwaarde en rente berekenen

  • Eindwaarde = beginwaarde x (1 + r)^n.

  • Rente gezocht: deel de eindwaarde door de beginwaarde en neem de n-de machtswortel.

  • Met rente-op-rente is de eindwaarde hoger dan met een vaste rente over het beginbedrag.

Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

Een gezin zet 4.000 euro vast tegen 5% per jaar, 3 jaar lang. Wat is de eindwaarde?

A

4.600,00 euro

B

4.200,00 euro

C

4.630,50 euro

D

3.455,35 euro

4.000 x 1,05^3 = 4.000 x 1,157625 = 4.630,50. Verwachte fouten: 4.600 (3 x 200 aan rente), 4.200 (één jaar) en 3.455,35 (contante waarde).

Een spaarder zet 2.000 euro weg; na 2 jaar staat er 2.121,80. Welke rente per jaar?

A

3%

B

6,09%

C

2%

D

4%

2.121,80 : 2.000 = 1,0609 = 1,03^2, dus 3%. Verwachte fout: 6,09%, de totale groei over twee jaar.

TIJD · RUIL EN RENTE

Vraagtype 2: nu of later kiezen

  • Zet beide bedragen op hetzelfde moment, meestal nu, met de marktrente.

  • Het bedrag met de hoogste contante waarde is het beste.

  • Stijgt de marktrente, dan daalt de contante waarde van toekomstige bedragen.

This item has no instructions

Je kiest tussen 1.000 euro nu of 1.080 euro over 1 jaar. De marktrente is 6%. Wat is beter?

A

1.000 nu: 1.080 is slechts 8% meer

B

1.000 nu: de contante waarde van 1.080 is 1.014,40

C

Beide zijn gelijk: de verschillen zijn klein

D

1.080 over een jaar: de contante waarde is 1.018,87 euro

1.080 : 1,06 = 1.018,87, meer dan 1.000. Verwachte fout: de rente vergelijken met 8% in plaats van de contante waarde te nemen.

De marktrente stijgt van 4% naar 6%. Wat gebeurt er met de contante waarde van 1.000 euro over 3 jaar?

A

Die stijgt, omdat de rente hoger is

B

Die daalt, omdat je door een groter getal deelt

C

Die blijft gelijk, het bedrag verandert niet

D

Die stijgt, omdat de looptijd gelijk blijft

Hogere rente: delen door een groter getal, dus lagere contante waarde. Verwachte fout: denken dat een hogere rente de waarde verhoogt.

TIJD · RUIL EN RENTE

Exacte reële rente naast de benadering, bij drie combinaties

Vraagtype 3: reële grootheden

  • Reële rente = (1 + nominaal) : (1 + inflatie) - 1.

  • Nominaal gevraagd: (1 + reëel) x (1 + inflatie) - 1.

  • Reële eindwaarde: deel de nominale eindwaarde door het prijsniveau, of reken met de reële rente.

Image credit: LessonUp Studio (eigen tabel), CC0

Je wilt exact 2% reële rente. De verwachte inflatie is 3%. Welke nominale rente?

A

5,06%

B

5,00%

C

0,98%

D

6,06%

1,02 x 1,03 = 1,0506, dus 5,06%. Verwachte fouten: 5,00% (optellen), 0,98% (1,03 : 1,02 - 1) en 6,06%.

Je zet 1.000 euro weg tegen 5%, 2 jaar. De inflatie is 2% per jaar. Reële eindwaarde, in euro's van nu?

A

1.102,50 euro

B

1.060,90 euro

C

1.059,69 euro

D

1.080,88 euro

1.102,50 : 1,02^2 = 1.102,50 : 1,0404 = 1.059,69. Verwachte fouten: 1.102,50 (nominaal), 1.060,90 (reële rente benaderd als 3%) en 1.080,88 (maar één jaar gedeeld door de inflatie).

TIJD · RUIL EN RENTE

Beurs van Berlage aan het Damrak, Amsterdam, 2019

Vraagtype 4: rente, risico en sector

  • Benoem de oorzaak: looptijd, liquiditeit, risico op wanbetaling of inflatierisico.

  • Houd andere factoren gelijk: wat verschilt er tussen de twee leningen?

  • Koppel de oorzaak aan de richting: meer risico of minder liquide betekent meer rente.

Image credit: Warren LeMay / Wikimedia Commons, CC0

Een bedrijf en de staat lenen beide voor 5 jaar. Het bedrijf betaalt 6%, de staat 3%. Wat verklaart dit?

A

De lening van het bedrijf heeft een langere looptijd

B

Het bedrijf heeft meer kans op wanbetaling

C

Het bedrijf heeft een hogere liquiditeit

D

Het bedrijf heeft een lagere tijdsvoorkeur

De looptijd is gelijk, dus het risico op wanbetaling verklaart het verschil. Verwachte fout: de looptijd of liquiditeit noemen.

Rente op 5 jaar hoger dan op 1 jaar: waarom?

Goed: langer vastzetten betekent meer uitstel en meer onzekerheid (inflatierisico, wanbetaling) en vaak minder liquiditeit. Verwachte fout: alleen 'je wacht langer' zonder risico.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Eindwaarde en rente

2

Nu of later kiezen

3

Reële grootheden

4

Rente, risico en sector

This item has no instructions

TIJD · RUIL EN RENTE

Tips voor op het examen

  • Rond pas af aan het einde: tussenuitkomsten houd je volledig.

  • Eindwaarde: vermenigvuldigen met (1 + r)^n. Contante waarde: delen door (1 + r)^n.

  • Controleer altijd de richting van je antwoord.

  • Reële rente: delen, niet aftrekken, tenzij de vraag een benadering toestaat.

This item has no instructions