Slim rekenen met getallen
Slim rekenen met getallen
Wat weet je al over breuken en kommagetallen?
Aan het eind van deze les kun je:
werken met breuken en kommagetallen, optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen en grote getallen begrijpen en toepassen in de praktijk.
Hoofddoel 1: Breuken en kommagetallen
Je leert breuken en kommagetallen omzetten en afronden. Dit komt vaak voor, bijvoorbeeld bij geld of meten.
1.1. Breuk omzetten naar kommagetal
Een breuk zoals 1/2 schrijf je als kommagetal: 1 : 2 = 0,5.
Opgave 1: Breuk naar kommagetal
Zet 3/4 om in een kommagetal.
1.2. Kommagetal omzetten naar breuk
Een kommagetal zoals 0,25 schrijf je als breuk: 0,25 = 25/100 = 1/4.
Opgave 2: Kommagetal naar breuk
Schrijf 0,6 als een breuk.
1.3. Kommagetal afronden (geheel getal)
Rond 2,8 af op een heel getal: dat is 3. Handig bij tellen of schatten.
Opgave 3: Afronden
Rond 7,2 af op een heel getal.
1.4. Afronden op decimalen
Rond 1,456 af op twee decimalen: dat is 1,46. Belangrijk bij geld en meten.
Opgave 4: Afronden decimalen
Rond 3,789 af op één decimaal.
1.5. Geldbedrag afronden
Bij betalen in de winkel wordt afgerond op 5 eurocent. Bijvoorbeeld: €2,67 wordt €2,65.
Opgave 5: Geldbedrag afronden
Rond €4,88 af op 5 cent.
Hoofddoel 2: Optellen en aftrekken
Je leert kommagetallen optellen en aftrekken. Dit heb je nodig bij geld en meten.
2.1. Kommagetallen optellen
Rekenvoorbeeld: 1,35 + 2,50 = 3,85. Zet de komma onder elkaar.
Opgave 6: Optellen
Bereken: 4,2 + 5,65.
2.2. Kommagetallen aftrekken
Rekenvoorbeeld: 7,5 - 2,3 = 5,2. Zet ook hier de komma goed.
Opgave 7: Aftrekken
Bereken: 9,6 - 3,8.
Hoofddoel 3: Vermenigvuldigen en delen
Met 10, 100 en 1000 vermenigvuldigen of delen doe je door de komma te verschuiven.
3.1. Voorbeeld: vermenigvuldigen
2,5 × 10 = 25. De komma schuift één plek naar rechts.
Opgave 8: Vermenigvuldigen
Bereken: 7,3 × 100.
3.2. Voorbeeld: delen
89,0 : 10 = 8,9. De komma schuift één plek naar links.
Opgave 9: Delen
Bereken: 146,7 : 100.
Hoofddoel 4: Grote getallen
Leer duizendtallen, miljoenen, miljarden herkennen en omrekenen. Handig bij nieuws en economie.
4.1. Omrekenen
1 miljoen = 1.000.000, 1 miljard = 1.000.000.000. 2 miljoen is dus 2.000.000.
Opgave 10: Omrekenen grote getallen
Hoeveel is 3 miljard in getallen geschreven?
4.2. Rekenen met grote getallen
Bereken bijvoorbeeld: 5.000.000 + 3.500.000 = 8.500.000.
Opgave 11: Grote getallen optellen
Bereken: 1.200.000 + 950.000.
Toepassen in de praktijk
Breuken, kommagetallen en grote getallen kom je tegen bij geld, boodschappen doen, werken en nieuws.
Terugblik & reflectie
Wat vond je moeilijk? Wanneer zou jij deze rekenvaardigheden gebruiken in het dagelijks leven?
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.