Hfst.2&3 Optellen/aftrekken

Hfst.2 Optellen

1 / 20
next
Slide 1: Slide
New lesson editorRekenenISK

This lesson contains 20 slides, with interactive quizzes and text slides.

Report this lesson

Items in this lesson

Hfst.2 Optellen

Leerdoel


Aan het einde van de les:

  • weet je wat optellen is.

  • Je kent de woorden die bij optellen horen (erbij, som, uitkomst, samen, plus).

  • Je kunt cijferend optellen.

Wat is optellen?

Optellen betekent: iets bij elkaar doen.
Je telt twee of meer getallen samen.

Voorbeeld:
2 + 3 = 5
Je doet 2 en 3 samen → dat is 5.

Gebruik in zinnen

1 + 1 = 2.

Eén plus één is twee.


Ik tel 1 en 1 bij elkaar op.


Jij telt 1 en 1 bij elkaar op.


Hij ....

Zij ....

Wij ....

Woorden die erbij horen:


  • erbij → je doet er iets bij

  • samen → alles bij elkaar

  • plus (+) → teken voor optellen

  • som → de rekensom (bijvoorbeeld 2 + 3)

  • uitkomst → het antwoord (5)

Voorbeeld:
2 + 3 = 5

Je kunt zeggen:

  • “twee plus drie is samen vijf”

  • “twee erbij drie is vijf”

  • “de uitkomst van twee plus drie is vijf”

Samen

4 + 6 =

3 + 7 =

10 + 1 =

9 + 3 =

8 + 5 =

4 + 11 =

13 + 10 =

14 + 14 =



Gebruik de woorden

plus, is, samen, uitkomst, erbij

om de som uit te spreken.

Praktijkvoorbeeld

Er zitten drie mensen in de bus. Twee mensen stappen in. Hoeveel zijn het samen?

Cijferend optellen

Je kunt grote getallen

onder elkaar optellen,

bijvoorbeeld: 59 + 34.

Oefenen maar!


Maak opgaven:

1, 2, 3, 4, 5, 6



Wat is de som van 20 en 5?

A

52

B

25

C

15

D

100

5 plus 15 is

A

15

B

10

C

20

D

75

Hoeveel is twee en drie bij elkaar?

A

6

B

7

C

1

D

5

Wat is de som van twee en tien?

A

8

B

12

C

10

D

2

Wat is de uitkomst van acht plus drie?

A

11

B

10

C

12

D

18

Welk woord hoort bij aftrekken?

A

erbij

B

min

C

plus

D

samen

Wat is het verschil van 7 en 3?

A

4

B

3

C

5

D

10

Welk woord betekent: wegdoen bij rekenen?

A

delen

B

aftrekken

C

optellen

D

tellen

Wat is het verschil van 1o en 6?

A

16

B

6

C

4

D

5

Welk woord hoort bij het antwoord van een aftreksom?

A

som

B

verschil

C

tafel

D

keer