Hfst.2 Optellen
Hfst.2 Optellen
Leerdoel
Aan het einde van de les:
weet je wat optellen is.
Je kent de woorden die bij optellen horen (erbij, som, uitkomst, samen, plus).
Je kunt cijferend optellen.
Wat is optellen?
Optellen betekent: iets bij elkaar doen.
Je telt twee of meer getallen samen.
Voorbeeld:
2 + 3 = 5
Je doet 2 en 3 samen → dat is 5.
Gebruik in zinnen
1 + 1 = 2.
Eén plus één is twee.
Ik tel 1 en 1 bij elkaar op.
Jij telt 1 en 1 bij elkaar op.
Hij ....
Zij ....
Wij ....
Woorden die erbij horen:
erbij → je doet er iets bij
samen → alles bij elkaar
plus (+) → teken voor optellen
som → de rekensom (bijvoorbeeld 2 + 3)
uitkomst → het antwoord (5)
Voorbeeld:
2 + 3 = 5
Je kunt zeggen:
“twee plus drie is samen vijf”
“twee erbij drie is vijf”
“de uitkomst van twee plus drie is vijf”
Samen
4 + 6 =
3 + 7 =
10 + 1 =
9 + 3 =
8 + 5 =
4 + 11 =
13 + 10 =
14 + 14 =
Gebruik de woorden
plus, is, samen, uitkomst, erbij
om de som uit te spreken.
Praktijkvoorbeeld
Er zitten drie mensen in de bus. Twee mensen stappen in. Hoeveel zijn het samen?
Cijferend optellen
Je kunt grote getallen
onder elkaar optellen,
bijvoorbeeld: 59 + 34.
Oefenen maar!
Maak opgaven:
1, 2, 3, 4, 5, 6
Wat is de som van 20 en 5?
52
25
15
100
5 plus 15 is
15
10
20
75
Hoeveel is twee en drie bij elkaar?
6
7
1
5
Wat is de som van twee en tien?
8
12
10
2
Wat is de uitkomst van acht plus drie?
11
10
12
18
Welk woord hoort bij aftrekken?
erbij
min
plus
samen
Wat is het verschil van 7 en 3?
4
3
5
10
Welk woord betekent: wegdoen bij rekenen?
delen
aftrekken
optellen
tellen
Wat is het verschil van 1o en 6?
16
6
4
5
Welk woord hoort bij het antwoord van een aftreksom?
som
verschil
tafel
keer