Mutatie en evolutie (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Examentraining

Mutatie en evolutie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
next
Slide 1: Slide
New lesson editorBiologieMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3,4

This lesson contains 17 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min
Report this lesson

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: een stamboom lezen, een mutatie in een situatie, selectie in een situatie en een tabel lezen. Acht vragen, vier met een afbeelding.

Items in this lesson

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Examentraining

Mutatie en evolutie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: John Gould / Wikimedia Commons, publiek domein

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Wat ga je kunnen?

Ik kan verbanden leggen tussen mutatie, selectie en soortvorming.

This item has no instructions

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is de situatie of wat staat er in de bron?

  • 2. Zoek: welk begrip hoort erbij: mutatie, selectie of stamboom?

  • 3. Denk: wat is de oorzaak en wat is het gevolg?

  • 4. Controleer: past je antwoord bij alle gegevens in de vraag?

This item has no instructions

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Vraagtype 1: een stamboom lezen

  • Zoek de soorten die bij dezelfde vertakking horen.

  • Elke vertakking is een gemeenschappelijke voorouder.

  • Hoe recenter de vertakking, hoe nauwer verwant.

  • Voorbeeld: leeuw en tijger delen een recente voorouder.

This item has no instructions

Met welke soort is soort A het nauwst verwant?

A

Soort C

B

Soort D

C

Soort B

D

Soort E

A en B stammen af van voorouder 2. Verwachte fout: soort C kiezen, die ligt dichtbij maar vertakt eerder. Image credit: Eigen tekening

Van welke voorouder stammen alleen soort D en E af?

A

Voorouder 4

B

Voorouder 1

C

Voorouder 2

D

Voorouder 3

Alleen D en E komen uit voorouder 4. Voorouder 3 heeft ook soort C als nakomeling. Verwachte fout: voorouder 3. Image credit: Eigen tekening

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Vraagtype 2: een mutatie in een situatie

  • Kijk naar de cel waarin de mutatie ontstaat.

  • Kijk naar het milieu waarin het organisme leeft.

  • Bedenk wat de mutatie voor het organisme verandert.

  • Kies het antwoord dat bij de situatie past.

This item has no instructions

Een mutatie ontstaat in een huidcel van een hert. Krijgen de jongen die mutatie?

A

Ja, elke mutatie wordt doorgegeven

B

Ja, de jongen krijgen alles van het hert

C

Nee, want een mutatie wordt nooit doorgegeven

D

Nee, de mutatie zit niet in een geslachtscel

Alleen een mutatie in een geslachtscel gaat naar de nakomelingen. Verwachte fout: denken dat alle mutaties worden doorgegeven.

Dikke bladeren bewaren water, door een mutatie. Waar is dit het gunstigst?

A

In een vochtig regenwoud

B

In een droge woestijn

C

In een nat moeras

D

In een regenachtige polder

Of een mutatie gunstig is, hangt af van het milieu. In een droog gebied is water bewaren een voordeel.

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Vraagtype 3: selectie in een situatie

  • Bedenk eerst wat bepaalt wie overleeft en zich voortplant.

  • Bedenk dan of de individuen van elkaar verschillen.

  • Bedenk wat er na veel generaties met de groep gebeurt.

  • Gebruik begrippen als milieu, variatie en generatie.

This item has no instructions

Op een koud eiland overleven konijnen met dikke vacht. Wat selecteert hier?

A

De kou op het eiland

B

De mens, die de konijnen kiest

C

Een mutagene stof in het voedsel

D

Het erfelijk materiaal van de konijnen

Het milieu selecteert: de kou. Verwachte fout: de mens kiezen, dat is kunstmatige selectie.

Alle planten in een veld zijn erfelijk gelijk. Werkt natuurlijke selectie dan?

A

Ja, want het milieu kiest altijd een winnaar

B

Ja, want selectie maakt zelf nieuwe eigenschappen

C

Nee, want zonder variatie valt er niets te kiezen

D

Nee, want selectie bestaat alleen bij dieren

Selectie werkt alleen als individuen erfelijk van elkaar verschillen. Nieuwe eigenschappen komen van mutaties, niet van selectie.

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Vraagtype 4: een tabel lezen

  • Lees eerst de titel en wat er geteld is.

  • Zoek in de tabel de juiste generatie op.

  • Reken met de getallen uit de tabel, niet met een schatting.

  • Controleer of je antwoord bij de vraag past.

This item has no instructions

Vanaf welke generatie zijn de meeste muizen donker?

A

Generatie 1

B

Generatie 10

C

Generatie 5

D

Generatie 15

In generatie 10 zijn 70 van de 100 muizen donker, de eerste keer meer dan de helft. Verwachte fout: generatie 15, dat is niet de eerste. Image credit: Eigen tekening

Hoeveel donkere muizen per 100 kwamen er bij tussen generatie 5 en 10?

A

20

B

40

C

70

D

30

70 min 40 is 30. Verwachte fout: 70 kiezen, dat is het getal in generatie 10. Image credit: Eigen tekening

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een stamboom lezen

2

Een mutatie in een situatie

3

Selectie in een situatie

4

Een tabel lezen

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na.

EVOLUTIE · MUTATIE, SELECTIE

Tips voor op het examen

  • Alleen een mutatie in een geslachtscel gaat naar de nakomelingen.

  • Bij selectie vraag je: wie of wat bepaalt wie zich voortplant?

  • Een stamboom lees je van de wortel naar de soorten: elke vertakking is een voorouder.

  • Bij een tabel: lees de titel en reken met de getallen.

This item has no instructions