1HVc - grammatica zinsdelen les 7

Nederlands - 1HVc
1 / 14
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 14 slides, with text slides.

Items in this lesson

Nederlands - 1HVc

Slide 1 - Slide

Wat gaan we doen?
- Lezen 
- Verder met grammatica H2

Slide 2 - Slide

10 minuten lezen

Slide 3 - Slide


Bij het ontleden van zinnen is het heel fijn als je weet wat de persoonsvorm is.


In het Nederlands begin je altijd met het zoeken naar de persoonsvorm als je een zin wil ontleden, anders lukt het niet :) 


Slide 4 - Slide





Zinnen knippen is het verdelen van de zin in zinsdelen.
Als je een zin in stukken knipt, dan zet je voor en na ieder zinsdeel een streep.

Slide 5 - Slide


  • Verdeel de zin in zinsdelen.    
  •                                                                                
  • Bepaal eerst de persoonsvorm (pv).                                                                   
  • Maak steeds een andere zin; de woorden voor de persoonsvorm vormen één zinsdeel.                                                                                                       
  •  
  • Zet tussen de zinsdelen een streep; je knipt de zin dan in stukken.                                                                                                                             
  • Bepaal alle zinsdelen. 
  • Op welke manier is de zin juist geknipt?
  • Slide 6 - Slide

    1. zoek de persoonsvorm
    • Zijn broertje maakte die lastige sommen uit zijn hoofd.
    • Zijn broertje | maakte | die lastige sommen uit zijn hoofd.

    Slide 7 - Slide

    2. maak met de woorden steeds een andere zin

    • Zijn broertje | maakte | die lastige sommen uit zijn hoofd.

    •  Die lastige sommen | maakte |  zijn broertje uit zijn hoofd. 
    • Uit zijn hoofd | maakte | zijn broertje die lastige sommen.



    zinsdelen
    Kijk nu eens naar welke stukjes van de zin VOOR de persoonsvorm komen. Dat zijn dus alle zinsdelen! 

    Slide 8 - Slide

    De zinsdelen
    Zijn broertje maakte die lastige sommen uit zijn hoofd.

    • Zijn broertje 
    • maakte
    • die lastige sommen 
    • uit zijn hoofd.

    • Zijn broertje | maakte | die lastige sommen | uit zijn hoofd.



    Slide 9 - Slide

    onderwerp
    Het onderwerp (o) geeft aan wie of wat iets doet.

    We zeggen ook wel: het is de hoofdrolspeler van de zin.

    Slide 10 - Slide

    Hoe vind je het onderwerp?
    • Het onderwerp is wie iets doet of wat iets doet

    • Je stelt de vraag wie (of wat) + pv.

    Slide 11 - Slide

    Pak je boek
    En open het op bladzijde 59. 
    Opdracht 3 maken we klassikaal. 

    Slide 12 - Slide

    Opdracht 3
    (1) pv = vinden,  ow = we
    (2) pv = heeft, ow = Een klassieker
    (3) pv = kent, ow = Wie
    (4) pv = is, ow = dit stuk over een onmogelijke liefde
    (5) pv = blijft, ow = Deze tragedie uit de 16e eeuw
    (6) pv = schreef, ow = De Engelse schrijver William Shakespeare


    Slide 13 - Slide

    Aan de slag
    Maak opdracht 2 (als je die nog niet helemaal af had), 4 en 5 van H2 Grammatica. Klaar? Pak dan je leesboek. 
    timer
    10:00

    Slide 14 - Slide