22/25-04

Welcome!
  •  Stop je telefoon in de telefoontas
  • Laptops op tafel
  • Wil je extra uitleg? Ga dan vooraan zitten
  • Wil je zelfstandig leren voor de toets, ga achteraan zitten.
1 / 20
next
Slide 1: Slide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 20 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Welcome!
  •  Stop je telefoon in de telefoontas
  • Laptops op tafel
  • Wil je extra uitleg? Ga dan vooraan zitten
  • Wil je zelfstandig leren voor de toets, ga achteraan zitten.

Slide 1 - Slide

Vandaag
  •  Leren voor de toets: MORGEN!
  • Herhaling van stof/extra uitleg
  • Wat moet je leren?
  • Tag-questions, much/many/few/little, future
  • Woordjes
  • Expressions
  • Toets is weer via exam.net

Slide 2 - Slide

Hoe gaan we het doen?
  •  Vooraan: extra uitleg/herhaling/oefenen
  • Achteraan: In stilte aan het werk: zelfstandig leren.
  • Werkbladen: Voor een paar onderwerpen

Tips: youtube: Engelsgemist voor grammatica filmpjes
Quizlet/wrts voor leren van woorden

Slide 3 - Slide

Grammar: Tag-questions
  •  In het Engels zet je soms een korte vraag aan het einde van een zin om om bevestiging te vragen: Lovely weather, isn't it?
  • Je kunt ook om een gunst of extra informatie vragen: She isn't the only girl in your team, is she?

Slide 4 - Slide

Hoe doe je dat nou?
  •  Is het eerste werkwoord in de zin positief of negatief?
  • Dan wordt de korte vraag het andere.
  • Voorbeeld: He is a Canadian hockey player, isn't he?
  • Voorbeeld: You aren't a hockey player, are you?

Slide 5 - Slide

Tag-questions
  •  Hoofdzin: positief of negatief
  • Tag-question: postief of negatief
  • Tag-question = persoonsvorm + onderwerp
  • Hulpwerkwoord in de zin: to be of to have, dan kun je dat werkwoord gebruiken
  • Geen hulpwerkwoord? Dan gebruik je do/does als bij een normale vraagzin.

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Grammatica: a lot, many, much
  •  Deze woorden gebruik je allemaal om aan te geven dat er veel is van iets.
  • Wanneer gebruik je welke?
  • Stappenplan:
  • Stap 1: Is het een bevestigende, ontkennende of vragende zin.
  • Stap 2: Is het zelfstandig naamwoord telbaar of ontelbaar?

Slide 8 - Slide

Stappenplan
Stappenplan:
Stap 1: Is het een bevestigende, ontkennende of vragende zin.
  • Bevestigende zin? Dan gebruik je "a lot of"
  • I have a lot of coins/I drink a lot of coffee
  • Vraagzin of ontkennende zin? ga door naar stap 2:
Stap 2: Is het zelfstandig naamwoord telbaar of ontelbaar?
Telbaar? Dan gebruik je many: Do you have many friends?
Niet telbaar? Dan gebruik je much: I haven't got much money
.


Slide 9 - Slide

Overzicht

Slide 10 - Slide

A few/A little

Slide 11 - Slide

Samenvatting
  •  A lot of: bij bevestigende zinnen telbaar en ontelbaar
  • Many: Bij ontkennende en vragende zinnen bij telbare woorden
  • Much: Bij ontkennende en vragende zinnen bij ontelbare woorden
  • Few: Alle soorten zinnen, telbare woorden
  • Little: alle soorten zinnen, ontelbare woorden.

Slide 12 - Slide

The future
  •  To be + going to + hele werkwoord
  • Will/Shall + hele werkwoord

Slide 13 - Slide

I'm going to learn!
  •  Regel: am/is/are + going to + hele werkwoord
  • I am going to work tomorrow
  • He is going to work tomorrow
  • We are going to work tomorrow
  • Negatief: I am not going to work tomorrow
  • Vraagzin: Am I going to work tomorrow?

Slide 14 - Slide

To be + going to + hele werkwoord
  • Gebruik je als plannen al gemaakt zijn voor het moment van spreken.
  • I am going to visit my grandma. She expects me at 3 o'clock.
  • Gebruik je als er concrete aanwijzingen zijn dat iets gaat gebeuren
  • Look at those dark clouds! It is going to rain.

Slide 15 - Slide

Will I learn something?
  •  Regel: Will/shall + hele werkwoord
  • Will + hele werkwoord gebruik je als je op dat moment een beslissing neemt voor de toekomst:
  • Is she still ill? I will call her tomorrow.
  • Thanks for the invite, but I won't be able to come.

Slide 16 - Slide

Will/shall + hele werkwoord
  • Will + hele werkwoord gebruik je bij een wens, voorspelling, veronderstelling, belofte, aanbod, verzoek.
  • I hope I will get ice cream.
  • We promise we will do our homework tomorrow
  • You'll win the game. 
  • Will you cook dinner tonight?
  • I won't be on time for your party.

Slide 17 - Slide

Maar wanneer gebruik je shall?
  • Shall gebruik je alleen bij "I" en "we".
  • Je gebruikt shall om te vragen naar een mening, om iets voor te stellen of om iets aan te bieden. 
Shall we go shopping? Shall I help you? Shall we go out or stay in?
  • Bij bevestigende en ontekkende zinnen gebruik je altijd will.
  • Ontkennende vorm van will = won't of will not

Slide 18 - Slide

Overzichtje

Slide 19 - Slide

Veel succes met de leren
  •  Maandag ook nog tijd om te leren!

Slide 20 - Slide