This lesson contains 39 slides, with interactive quizzes and text slide.
Items in this lesson
NaSk: proefwerkweek H5 b/k
Slide 1 - Slide
Airbags zorgen dat een auto bij een aanrijding minder beschadigd raakt
A
waar
B
niet waar
Slide 2 - Quiz
autogordels hoef je alleen voor in de auto te dragen
A
waar
B
niet waar
Slide 3 - Quiz
Jenny rijdt met een snelheid van 17 km/h. Isha fietst 7 m/s. Jenny fietst sneller dan Isha.
A
waar
B
niet waar
Slide 4 - Quiz
Als je appt op je fiets, is je reactietijd korter.
A
waar
B
niet waar
Slide 5 - Quiz
Goed materiaal voor de buitenkant van een valhelm is hard plastic
A
waar
B
niet waar
Slide 6 - Quiz
Tijdens een autorit is de snelheid steeds anders
A
waar
B
niet waar
Slide 7 - Quiz
De snelheid van een auto kun je aflezen op de kilometerteller
A
waar
B
niet waar
Slide 8 - Quiz
Een eenheid voor snelheid is: meter per seconde
A
waar
B
niet waar
Slide 9 - Quiz
Bij een versnelde beweging wordt de snelheid groter.
A
waar
B
niet waar
Slide 10 - Quiz
Als je vaak moet stoppen, wordt je gemiddelde snelheid groter
A
waar
B
niet waar
Slide 11 - Quiz
De snelheid van een raket zou je kunnen opschrijven met de eenheid kilometer per uur.
A
waar
B
niet waar
Slide 12 - Quiz
Iemand die alcohol heeft gedronken, heeft een langere reactietijd
A
waar
B
niet waar
Slide 13 - Quiz
De remweg is alleen afhankelijk van je snelheid
A
waar
B
niet waar
Slide 14 - Quiz
stopafstand = reactie-afstand + remweg
A
waar
B
niet waar
Slide 15 - Quiz
Als het profiel van je banden glad is, is de reactie-afstand groter dan bij banden met een diep profiel.
A
waar
B
niet waar
Slide 16 - Quiz
Als je op een roltrap staat die draait, is de beweging versneld
A
waar
B
niet waar
Slide 17 - Quiz
Een airbag beschermt je nek als je van achteren wordt aangereden
A
waar
B
niet waar
Slide 18 - Quiz
Bij een vertraagde beweging leg je dezelfde afstand steeds in een kortere tijd af.
A
waar
B
niet waar
Slide 19 - Quiz
De reactie-afstand hangt alleen af van de reactie-tijd
A
waar
B
niet waar
Slide 20 - Quiz
Op een natte weg is je remweg groter
A
waar
B
niet waar
Slide 21 - Quiz
In welke eenheid wordt de snelheid van een auto aangegeven?
A
kilometer per seconde
B
kilometer per uur
C
meter per seconde
D
meter per uur
Slide 22 - Quiz
Tom gaat met zijn ouders op vakantie. De afstand is 200 km. Ze doen er 4 uur over. Tom rekent uit: 200 : 4 = 50 Wat heeft Tom uitgerekend?
A
de gemiddelde snelheid
B
de grootste snelheid
C
de kleinste snelheid
D
de veiligste snelheid
Slide 23 - Quiz
Hoe noem je een beweging waarvan de snelheid kleiner wordt.
A
ingehouden beweging
B
langzame beweging
C
stoppende beweging
D
vertraagde beweging
Slide 24 - Quiz
Hoe komt het dat de remweg van een vrachtwagen langer is dan die van een auto?
A
een vrachtwagen heeft een grotere lengte
B
een vrachtwagen heeft een grotere massa
C
een vrachtwagen heeft slechter contact met de weg
D
een vrachtwagen heeft slechtere remmen
Slide 25 - Quiz
Welke bewering over de reactie-tijd is goed?
A
Als je drugs of alcohol gebruikt, is je reactie-tijd langer
B
Als je goed op het verkeer let, is je reactie-tijd langer
C
Als je vermoeid bent, is je reactie-tijd korter dan wanneer je fit bent
D
Als je ouder bent, is je reactie-tijd korter dan wanneer je jonger bent.
Slide 26 - Quiz
Hans rijdt in een auto. Een andere auto botst van voren tegen hem aan. Wat kan er met Hans gebeuren als hij de veiligheidsgordel niet om heeft?
A
Hij kan naar achteren schieten
B
Hij kan uit zijn stoel vliegen
C
Hij schuift opzij tegen de deur
Slide 27 - Quiz
Een auto rijdt met een gemiddelde snelheid van 60 km/h. Hij rijdt 8 uur. Hoeveel km heeft hij gereden?
A
360 km
B
420 km
C
480 km
D
860 km
Slide 28 - Quiz
Nick fietst naar de slager. Hij fietst aan nadat hij moest wachten bij een stoplicht. Welke soort beweging maakt hij?
A
beweging met constante snelheid
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging
Slide 29 - Quiz
In de afbeelding zie je een fietser en een scooter. Je ziet ze als ze bij jou voorbijrijden (0s) en 1 seconde later. Wie heeft de grootste snelheid?
A
de scooter
B
de fietser
C
de scooter en de fietser rijden even snel
Slide 30 - Quiz
welke bewering over de veiligheidsmaatregelen in een auto is juist?
A
bij een botsing houdt de hoofdsteun je hoofd tegen als dat naar voren klapt
B
bij een botsing staat een auto sneller stil door de kreukelzone
C
bij een botsing wordt de airbag langzaam vol geblazen met lucht
D
bij een botsing wordt de klap op je lichaam kleiner door de autogordel
Slide 31 - Quiz
Carla traint voor een hardloopwedstrijd. Op een dag loopt ze een afstand van 36 km. Daar doet ze 3 uur over. Bereken met berekening haar gemiddelde snelheid en reken deze daarna om naar meter per seconde.
Slide 32 - Open question
Shelley loopt van Noord-Groningen tot Zuid- Limburg. Ze loopt gemiddeld 4 km/h. De afstand is 488 km. Bereken hoe lang Shelley onderweg is.
Slide 33 - Open question
Auto's hebben 2 kreukelzones. a.Waar zitten deze in een auto? b.Waarom heeft een auto kreukelzones?
Slide 34 - Open question
Een motorrijder ziet dat een auto voor hem stopt. Hij remt zo snel mogelijk. De motor staat pas na 38 meter stil. De remweg was 26 meter. Bereken hoe lang zijn reactie-afstand was. Schrijf de berekening op.
Slide 35 - Open question
Een vrachtwagen rijdt 600 km. Zijn gemiddelde snelheid is 75 km/h. Hoe lang doet de de vrachtwagen over de reis? Schrijf de berekening op.
Slide 36 - Open question
Reken de snelheid in m/s om naar km/h a. 10 m/s = ........ km/h b. 30 m/s = ........ km/h c. 100 m/s = ......... km/h d. 6 m/s = ....... km/h
Slide 37 - Open question
Reken de snelheid in km/h om naar m/s a. 72 km/h = ...... m/s b. 144 km/h = ...... m/s c.82,8 km/h = ...... m/s d. 10,8 km/h = ...... m/s
Slide 38 - Open question
laatste vraag voor nask dit schooljaar. Heb je het proefwerk goed gemaakt? Goed geleerd?