Plantencellen met bladgroenkorrels onder de microscoop (waterpest) (foto: Lilyviolet, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Examentraining
Chemie van het leven: zo pak je examenvragen aan
Plantencellen met bladgroenkorrels onder de microscoop (waterpest) (foto: Lilyviolet, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Examentraining
Chemie van het leven: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Lilyviolet / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan rekenen aan fotosynthese, eiwitten, koolhydraten en vetten herkennen aan hun bouw, afbraak en functie benoemen en de werking van een enzym verklaren.
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke stof, welk proces of welk gegeven staat er, en wat wordt gevraagd?
2. Zoek: de bouw of de functie op in je kennis of in Binas (of ScienceData).
3. Reken of verklaar: gebruik de molverhouding uit de vergelijking, of leg uit met begrippen als actief centrum en optimum.
4. Controleer: klopt de eenheid, het aantal significante cijfers en past het antwoord bij de vraag?
This item has no instructions
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Vraagtype 1: rekenen aan fotosynthese
Gebruik de molverhouding uit 6 CO₂ + 6 H₂O → C₆H₁₂O₆ + 6 O₂.
Voorbeeld: uit 1 mol glucose ontstaat 6 mol O₂, dus uit 2 mol glucose 12 mol O₂.
This item has no instructions
Een plant maakt 0,10 mol glucose. Hoeveel mol O₂ komt vrij?
0,10 mol
0,30 mol
0,60 mol
1,2 mol
Syllabus L1.2 met R&A: molverhouding glucose : O₂ = 1 : 6, dus 6 × 0,10 mol = 0,60 mol. Verwachte fout: de molverhouding vergeten (0,10 mol), delen door 2 (0,30 mol) of 12 atomen O tellen (1,2 mol). Tweemaal nagerekend.
In een proef ontstaat 0,90 g glucose (M = 1,8·10² g/mol). Hoeveel mol CO₂ is vastgelegd?
0,0050 mol
8,3·10⁻⁴ mol
0,030 mol
0,060 mol
Syllabus L1.2 met R&A: n(glucose) = 0,90 g / 1,8·10² g/mol = 0,0050 mol; molverhouding glucose : CO₂ = 1 : 6, dus 0,030 mol (twee significante cijfers). Verwachte fout: de molverhouding vergeten (0,0050 mol), delen door 6 (8,3·10⁻⁴ mol) of met 12 vermenigvuldigen (0,060 mol). Tweemaal nagerekend.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Vraagtype 2: de bouw van een molecuul herkennen
Lees uit de beschrijving af: glycerol en estergroepen wijzen op een vet, NH₂ en COOH op een aminozuur.
Een C=C in de staart van een vetzuur maakt het onverzadigd.
This item has no instructions
Een molecuul bestaat uit glycerol met drie vetzuren, waarvan één met een C=C. Wat is het?
Triglyceride met een onverzadigd vetzuur
Triglyceride met alleen verzadigde vetzuren
Disacharide met een onverzadigde keten
Tripeptide met een C=C in de keten
Syllabus L1.3: triglyceride, (on)verzadigd vetzuur. Verwachte fout: kiezen voor alleen verzadigde vetzuren omdat de rest van de staart uit enkele bindingen bestaat; één C=C is genoeg voor een onverzadigd vetzuur.
Hoeveel volgordes van Gly, Ala en Ser zijn er?
Syllabus L1.3: primaire structuur is de volgorde van de aminozuren. Antwoord: 6 (3 × 2 × 1). Verwachte fout: 3 antwoorden omdat er drie aminozuren zijn, of 9 (3 × 3).
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Vraagtype 3: afbraak en functie benoemen
Hydrolyse maakt van een voedingsstof bouwstenen: aminozuren, glucose, glycerol en vetzuren.
Noem bij een functie het begrip uit de syllabus: bouwstof, enzym of energieopslag.
This item has no instructions
Een leerling eet brood, vooral zetmeel. Welke bouwsteen komt via het bloed bij de cellen?
Glycerol
Aminozuren
Vetzuren
Glucose
Syllabus L1.4: zetmeel (polysacharide) wordt afgebroken tot glucose. Verwachte fout: glycerol of vetzuren kiezen (afbraakproducten van een vet) of aminozuren (van eiwit).
Waarom moet een mens essentiële aminozuren uit voeding halen?
Ze zijn de enige energiebron van de cel
Het lichaam kan ze zelf niet maken
Ze bevatten als enige een peptidebinding
Ze worden alleen in vetten opgeslagen
Syllabus L1.3: essentiële aminozuren. Verwachte fout: denken dat essentieel hetzelfde is als energierijk.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Vraagtype 4: een enzym verklaren met pH en temperatuur
Leg uit met: optimum, actief centrum en substraat.
Een enzym werkt het best bij zijn optimum; te ver ervan af past het substraat niet meer.
This item has no instructions
Een enzym in de mond werkt het best bij pH 7. In de maag is de pH laag. Wat volgt?
De pH ligt ver van het optimum: weinig activiteit
Het enzym wordt in de maag verbruikt
Het temperatuuroptimum is bereikt
Het substraat wordt eerst een product
Syllabus L1.6: pH-optimum. Een lage pH ligt ver van het pH-optimum bij pH 7, dus het enzym is nauwelijks actief. Verwachte fout: denken dat het enzym verbruikt wordt; een biokatalysator wordt niet verbruikt.
Waarom werkt een mensenenzym niet bij 80 °C?
Syllabus L1.6: temperatuuroptimum. Goed antwoord: 80 °C ligt ver boven het temperatuuroptimum; de vorm van het enzym verandert en het substraat past niet meer in het actieve centrum, dus de reactie wordt niet meer versneld. Verwachte fout: zeggen dat het enzym verbrandt of dat het substraat op is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Rekenen aan fotosynthese
De bouw van een molecuul
Afbraak en functie
Een enzym verklaren
Bespreek het lastigste vraagtype en laat de leerlingen het stappenplan toepassen op een van de vragen.
EXAMENSTOF SCHEIKUNDE · LEVEN · VOEDINGSSTOFFEN
Tips voor op het examen
Gebruik bij fotosynthese altijd de molverhouding uit de vergelijking: 6 CO₂ : 1 glucose : 6 O₂.
Een vet heeft glycerol en drie estergroepen; een aminozuur heeft NH₂ en COOH.
Noem bij een functie het syllabusbegrip: bouwstof, enzym of energieopslag.
Verklaar een enzym met: optimum, actief centrum en substraat; een katalysator wordt niet verbruikt.
This item has no instructions