Chapter 2 At school - Engelse woorden (1BK Stepping Stones)

At school - Engelse woorden

1 / 38
next
Slide 1: Slide
New lesson editorEngelsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 40 min
Report this lesson

Items in this lesson

At school - Engelse woorden

Open de les met het thema school als herkenbare context. De titel blijft eenvoudig en duidelijk voor klas 1 vmbo-basis.

Lesdoel

Ik kan schoolwoorden in het Engels begrijpen en gebruiken in eenvoudige zinnen.

This item has no instructions

Welke Engelse schoolwoorden ken je al?

Gebruik de woordwolk als korte opening. Laat leerlingen losse woorden noemen zoals desk, homework, maths of diary. Haak daarna aan op bekende en onbekende woorden uit de les.

At school

Woorden over school helpen je om over je dag te praten.


  • desk = bureau

  • diary = agenda

  • locker = kluisje

  • notebook = schrift

  • homework = huiswerk

Leg de woorden hardop voor en laat leerlingen het Engelse woord nazeggen. Koppel elk woord aan een herkenbaar voorwerp in of rond het lokaal.

Schoolwoorden in betekenis

Deze woorden horen bij spullen en schoolwerk.


  • Een desk staat in het lokaal.

  • In je diary noteer je taken en afspraken.

  • In een locker bewaar je spullen.

  • Een notebook gebruik je om te schrijven.

  • Homework maak je thuis of tijdens studie-uur.

Benadruk het verschil tussen een voorwerp en een activiteit: homework is geen ding, maar werk dat je moet maken.

Woorden in een zin

Voorbeelden van eenvoudige Engelse zinnen:


  • My notebook is on the desk.

  • I write my homework in my diary.

  • My bag is near my locker.

Lees de zinnen rustig voor. Laat leerlingen horen hoe de woorden in een echte Engelse zin klinken.

Welk woord betekent kluisje?

A

diary

B

locker

C

notebook

D

desk

Controleert de basiswoordenschat uit slides 2-4. De afleiders zijn andere schoolspullen uit dezelfde reeks.

Vul de juiste schoolwoorden in

My notebook is on the desk. I write my homework in my diary.

notebook
desk
homework
diary
locker
mark
maths
timetable

Herhaalt de voorbeeldzinnen van slide 4. Laat leerlingen de zin na afloop hardop meelezen.

Welk woord gebruik jij op school het meest?

Verwachte elementen: een logisch schoolvoorwerp noemen en kort koppelen aan functie, bijvoorbeeld notebook om te schrijven, diary voor huiswerk, locker voor spullen. Bespreek meerdere goede antwoorden klassikaal.

Resultaten en leren

Nog meer schoolwoorden:


  • mark = cijfer

  • to study for = leren voor

  • to pass = voldoende halen

  • to fail = onvoldoende halen

  • tutor hour = mentoruur

  • timetable = lesrooster

Deze woorden passen goed bij praten over toetsen, lessen en begeleiding op school.

Hoe woorden samenhangen

Sommige woorden horen logisch bij elkaar.


  • You study for a test.

  • Then you get a mark.

  • A good mark can mean you pass.

  • A bad mark can mean you fail.

  • Tutor hour and your timetable help you stay organised.

Wijs op het verschil tussen werkwoord en zelfstandig naamwoord. Study, pass en fail zijn werkwoorden; mark en timetable zijn zelfstandige naamwoorden.

Voorbeelden met resultaten

  • I study for English.

  • My mark is good.

  • I want to pass maths.

  • I do not want to fail history.

  • Tutor hour is on my timetable.

Kies eventueel één zin per keer en laat leerlingen het Nederlandse woord erbij noemen.

Wat krijg je na een test?

A

a mark

B

a locker

C

tutor hour

D

a notebook

Sluit aan op de logische volgorde uit slides 5-7: study for test, then get a mark.

Vul de woorden over leren en resultaten in

I study for English. Then I get a good mark. I want to pass the test and not fail.

study for
mark
pass
fail
desk
history
locker
diary

Benadruk het verschil tussen werkwoorden en zelfstandige naamwoorden als leerlingen twijfelen.

Welk woord vind jij het lastigst?

1

mark

2

pass

3

fail

4

timetable

This item has no instructions

Rangtelwoorden

Rangtelwoorden gebruik je voor data en volgorde.


  • 1st = first

  • 2nd = second

  • 3rd = third

  • 4th = fourth

  • 5th = fifth

  • 6th = sixth

  • 7th = seventh

Leg uit dat leerlingen deze woorden vaak zien bij data, zoals de dag van de maand.

Rangtelwoorden

Meer rangtelwoorden:


  • 8th = eighth

  • 9th = ninth

  • 10th = tenth

  • 11th = eleventh

  • 12th = twelfth

  • 13th = thirteenth

  • 14th = fourteenth

Laat zien dat de spelling niet altijd hetzelfde patroon volgt. Vooral eighth, ninth en twelfth verdienen extra aandacht.

Rangtelwoorden

Nog drie belangrijke vormen:


  • 15th = fifteenth

  • 19th = nineteenth

  • 20th = twentieth

  • 21st = twenty-first


Voorbeeld:

  • English is on the 21st of May.

Benadruk dat 21st weer op first lijkt. Verbind dit aan agenda en data op school.

Data en school

Rangtelwoorden passen goed bij schooltaal.


  • The test is on the 12th.

  • My birthday is on the 3rd.

  • We have a trip on the 15th.

Maak de koppeling met diary en timetable: leerlingen kunnen zo data in echte schoolzinnen begrijpen.

Hoe zeg je 12th in het Engels?

A

twelfth

B

twelve

C

twenty-first

D

third

Checkt of leerlingen het verschil zien tussen het cijfer met uitgang en het uitgeschreven rangtelwoord.

Vul de data goed in

The test is on the 12th. My birthday is on the 3rd. We have a trip on the 15th.

12th
3rd
15th
2nd
11th
20th
21st

Deze oefening echoot precies de voorbeeldzinnen van slide 11, zodat leerlingen vorm en betekenis koppelen.

Welke datum uit de les onthoud jij het best?

Goede antwoorden noemen een datum in rangtelwoordvorm, bijvoorbeeld 3rd, 12th, 15th of 21st. Laat leerlingen eventueel eerst mondeling oefenen en daarna typen.

Schoolvakken

Vakken in het Engels:


  • English

  • Dutch

  • maths

  • history

  • geography

  • biology

  • music

  • German

  • art

Spreek de vakken duidelijk uit. Let op dat maths Brits Engels is, passend bij veel schoolmethodes.

Vakken gebruiken in zinnen

Eenvoudige zinnen over schoolvakken:


  • I like English.

  • Maths is difficult.

  • We have history today.

  • My favourite subject is music.

  • German is on my timetable.

Leg uit dat schoolvakken vaak zonder lidwoord worden gebruikt in dit soort simpele zinnen.

Mening geven

Woorden voor wat je van een vak vindt:


  • to like = leuk vinden

  • to love = houden van

  • to enjoy = genieten van

  • to hate = haten

  • favourite = favoriete

  • interesting = interessant

  • boring = saai

  • difficult = moeilijk

  • fine = prima

  • great = geweldig

Maak duidelijk dat leerlingen hiermee korte meningen over vakken kunnen geven in het Engels.

Mening + vak

Je kunt vakken en meningen combineren.


  • I like English.

  • I hate maths.

  • Biology is interesting.

  • Music is great.

  • Art is my favourite subject.

Benadruk het patroon: vak + mening. Dat helpt leerlingen om snel zelf zinnen te maken.

Alles samen in schoolzinnen

Nu komen de woordgroepen samen in korte voorbeelden.


  • I write my homework in my diary.

  • I study for history on the 14th.

  • My mark for English is good.

  • I like music, but maths is difficult.

  • My notebook is on my desk.

Deze slide brengt de hele les bij elkaar. Laat zien dat losse woorden samen echte taal vormen.

Welke zin past goed bij een mening over een vak?

A

I like English.

B

English is locker.

C

I diary maths.

D

Music on desk.

Toetst het patroon vak + mening uit slides 12-15.

Vul vakken en meningen in

I like music, but maths is difficult. My mark for English is good, so I want to pass.

like
difficult
mark
pass
hate
boring
locker
fail

Hier komen woorden uit meerdere subthema's samen, net als op slide 16.

Maak 1 Engelse zin met 3 nieuwe woorden.

Laat leerlingen één korte Engelse zin maken met minstens drie nieuwe woorden, bijvoorbeeld over homework, a subject en a date. Bespreek een paar goede voorbeelden klassikaal.

Welk woord uit deze les onthoud jij zeker?

Reflectievraag zonder fout antwoord. Laat leerlingen kort terugkijken op hun eigen leren.

Wat hielp jou het best om de woorden te leren?

Reflectievraag zonder goed/fout. Geeft de docent zicht op effectieve werkvormen.

Wat vond je vandaag nog lastig?

Reflectievraag zonder goed/fout. Gebruik de antwoorden voor een korte afsluitende check-in.

Woordenlijst

desk - bureau

diary - agenda

locker - kluisje

notebook - schrift

homework - huiswerk

mark - cijfer

timetable - lesrooster

This item has no instructions

Woordenlijst

to study for - leren voor

to pass - voldoende halen

to fail - onvoldoende halen

tutor hour - mentoruur

English - Engels

Dutch - Nederlands

maths - wiskunde

This item has no instructions

Woordenlijst

history - geschiedenis

geography - aardrijkskunde

biology - biologie

music - muziek

German - Duits

art - tekenen, kunst

favourite - favoriete

This item has no instructions

Woordenlijst

to like - leuk vinden

to love - houden van

to enjoy - genieten van

to hate - haten

interesting - interessant

boring - saai

difficult - moeilijk

This item has no instructions

Woordenlijst

fine - prima

great - geweldig

1st / first - eerste

2nd / second - tweede

3rd / third - derde

12th / twelfth - twaalfde

21st / twenty-first - eenentwintigste

This item has no instructions