At school - Engelse woorden
At school - Engelse woorden
Open de les met het thema school als herkenbare context. De titel blijft eenvoudig en duidelijk voor klas 1 vmbo-basis.
Lesdoel
Ik kan schoolwoorden in het Engels begrijpen en gebruiken in eenvoudige zinnen.
This item has no instructions
Welke Engelse schoolwoorden ken je al?
Gebruik de woordwolk als korte opening. Laat leerlingen losse woorden noemen zoals desk, homework, maths of diary. Haak daarna aan op bekende en onbekende woorden uit de les.
At school
Woorden over school helpen je om over je dag te praten.
desk = bureau
diary = agenda
locker = kluisje
notebook = schrift
homework = huiswerk
Leg de woorden hardop voor en laat leerlingen het Engelse woord nazeggen. Koppel elk woord aan een herkenbaar voorwerp in of rond het lokaal.
Schoolwoorden in betekenis
Deze woorden horen bij spullen en schoolwerk.
Een desk staat in het lokaal.
In je diary noteer je taken en afspraken.
In een locker bewaar je spullen.
Een notebook gebruik je om te schrijven.
Homework maak je thuis of tijdens studie-uur.
Benadruk het verschil tussen een voorwerp en een activiteit: homework is geen ding, maar werk dat je moet maken.
Woorden in een zin
Voorbeelden van eenvoudige Engelse zinnen:
My notebook is on the desk.
I write my homework in my diary.
My bag is near my locker.
Lees de zinnen rustig voor. Laat leerlingen horen hoe de woorden in een echte Engelse zin klinken.
Welk woord betekent kluisje?
diary
locker
notebook
desk
Controleert de basiswoordenschat uit slides 2-4. De afleiders zijn andere schoolspullen uit dezelfde reeks.
Vul de juiste schoolwoorden in
My notebook is on the desk. I write my homework in my diary.
Herhaalt de voorbeeldzinnen van slide 4. Laat leerlingen de zin na afloop hardop meelezen.
Welk woord gebruik jij op school het meest?
Verwachte elementen: een logisch schoolvoorwerp noemen en kort koppelen aan functie, bijvoorbeeld notebook om te schrijven, diary voor huiswerk, locker voor spullen. Bespreek meerdere goede antwoorden klassikaal.
Resultaten en leren
Nog meer schoolwoorden:
mark = cijfer
to study for = leren voor
to pass = voldoende halen
to fail = onvoldoende halen
tutor hour = mentoruur
timetable = lesrooster
Deze woorden passen goed bij praten over toetsen, lessen en begeleiding op school.
Hoe woorden samenhangen
Sommige woorden horen logisch bij elkaar.
You study for a test.
Then you get a mark.
A good mark can mean you pass.
A bad mark can mean you fail.
Tutor hour and your timetable help you stay organised.
Wijs op het verschil tussen werkwoord en zelfstandig naamwoord. Study, pass en fail zijn werkwoorden; mark en timetable zijn zelfstandige naamwoorden.
Voorbeelden met resultaten
I study for English.
My mark is good.
I want to pass maths.
I do not want to fail history.
Tutor hour is on my timetable.
Kies eventueel één zin per keer en laat leerlingen het Nederlandse woord erbij noemen.
Wat krijg je na een test?
a mark
a locker
tutor hour
a notebook
Sluit aan op de logische volgorde uit slides 5-7: study for test, then get a mark.
Vul de woorden over leren en resultaten in
I study for English. Then I get a good mark. I want to pass the test and not fail.
Benadruk het verschil tussen werkwoorden en zelfstandige naamwoorden als leerlingen twijfelen.
Welk woord vind jij het lastigst?
mark
pass
fail
timetable
This item has no instructions
Rangtelwoorden
Rangtelwoorden gebruik je voor data en volgorde.
1st = first
2nd = second
3rd = third
4th = fourth
5th = fifth
6th = sixth
7th = seventh
Leg uit dat leerlingen deze woorden vaak zien bij data, zoals de dag van de maand.
Rangtelwoorden
Meer rangtelwoorden:
8th = eighth
9th = ninth
10th = tenth
11th = eleventh
12th = twelfth
13th = thirteenth
14th = fourteenth
Laat zien dat de spelling niet altijd hetzelfde patroon volgt. Vooral eighth, ninth en twelfth verdienen extra aandacht.
Rangtelwoorden
Nog drie belangrijke vormen:
15th = fifteenth
19th = nineteenth
20th = twentieth
21st = twenty-first
Voorbeeld:
English is on the 21st of May.
Benadruk dat 21st weer op first lijkt. Verbind dit aan agenda en data op school.
Data en school
Rangtelwoorden passen goed bij schooltaal.
The test is on the 12th.
My birthday is on the 3rd.
We have a trip on the 15th.
Maak de koppeling met diary en timetable: leerlingen kunnen zo data in echte schoolzinnen begrijpen.
Hoe zeg je 12th in het Engels?
twelfth
twelve
twenty-first
third
Checkt of leerlingen het verschil zien tussen het cijfer met uitgang en het uitgeschreven rangtelwoord.
Vul de data goed in
The test is on the 12th. My birthday is on the 3rd. We have a trip on the 15th.
Deze oefening echoot precies de voorbeeldzinnen van slide 11, zodat leerlingen vorm en betekenis koppelen.
Welke datum uit de les onthoud jij het best?
Goede antwoorden noemen een datum in rangtelwoordvorm, bijvoorbeeld 3rd, 12th, 15th of 21st. Laat leerlingen eventueel eerst mondeling oefenen en daarna typen.
Schoolvakken
Vakken in het Engels:
English
Dutch
maths
history
geography
biology
music
German
art
Spreek de vakken duidelijk uit. Let op dat maths Brits Engels is, passend bij veel schoolmethodes.
Vakken gebruiken in zinnen
Eenvoudige zinnen over schoolvakken:
I like English.
Maths is difficult.
We have history today.
My favourite subject is music.
German is on my timetable.
Leg uit dat schoolvakken vaak zonder lidwoord worden gebruikt in dit soort simpele zinnen.
Mening geven
Woorden voor wat je van een vak vindt:
to like = leuk vinden
to love = houden van
to enjoy = genieten van
to hate = haten
favourite = favoriete
interesting = interessant
boring = saai
difficult = moeilijk
fine = prima
great = geweldig
Maak duidelijk dat leerlingen hiermee korte meningen over vakken kunnen geven in het Engels.
Mening + vak
Je kunt vakken en meningen combineren.
I like English.
I hate maths.
Biology is interesting.
Music is great.
Art is my favourite subject.
Benadruk het patroon: vak + mening. Dat helpt leerlingen om snel zelf zinnen te maken.
Alles samen in schoolzinnen
Nu komen de woordgroepen samen in korte voorbeelden.
I write my homework in my diary.
I study for history on the 14th.
My mark for English is good.
I like music, but maths is difficult.
My notebook is on my desk.
Deze slide brengt de hele les bij elkaar. Laat zien dat losse woorden samen echte taal vormen.
Welke zin past goed bij een mening over een vak?
I like English.
English is locker.
I diary maths.
Music on desk.
Toetst het patroon vak + mening uit slides 12-15.
Vul vakken en meningen in
I like music, but maths is difficult. My mark for English is good, so I want to pass.
Hier komen woorden uit meerdere subthema's samen, net als op slide 16.
Maak 1 Engelse zin met 3 nieuwe woorden.
Laat leerlingen één korte Engelse zin maken met minstens drie nieuwe woorden, bijvoorbeeld over homework, a subject en a date. Bespreek een paar goede voorbeelden klassikaal.
Welk woord uit deze les onthoud jij zeker?
Reflectievraag zonder fout antwoord. Laat leerlingen kort terugkijken op hun eigen leren.
Wat hielp jou het best om de woorden te leren?
Reflectievraag zonder goed/fout. Geeft de docent zicht op effectieve werkvormen.
Wat vond je vandaag nog lastig?
Reflectievraag zonder goed/fout. Gebruik de antwoorden voor een korte afsluitende check-in.
Woordenlijst
desk - bureau
diary - agenda
locker - kluisje
notebook - schrift
homework - huiswerk
mark - cijfer
timetable - lesrooster
This item has no instructions
Woordenlijst
to study for - leren voor
to pass - voldoende halen
to fail - onvoldoende halen
tutor hour - mentoruur
English - Engels
Dutch - Nederlands
maths - wiskunde
This item has no instructions
Woordenlijst
history - geschiedenis
geography - aardrijkskunde
biology - biologie
music - muziek
German - Duits
art - tekenen, kunst
favourite - favoriete
This item has no instructions
Woordenlijst
to like - leuk vinden
to love - houden van
to enjoy - genieten van
to hate - haten
interesting - interessant
boring - saai
difficult - moeilijk
This item has no instructions
Woordenlijst
fine - prima
great - geweldig
1st / first - eerste
2nd / second - tweede
3rd / third - derde
12th / twelfth - twaalfde
21st / twenty-first - eenentwintigste
This item has no instructions