Básis Gramatica

Doel: 
Basisgrammatica om de voorkennis op te frissen. 

Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd vervoegen.
Eenvoudige en correcte zinnen in het Spaans maken

Gesprekken voeren  


1 / 35
next
Slide 1: Slide
SpaansMBOStudiejaar 3

This lesson contains 35 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min
Report this lesson

Items in this lesson

Doel: 
Basisgrammatica om de voorkennis op te frissen. 

Onregelmatige werkwoorden in de verleden tijd vervoegen.
Eenvoudige en correcte zinnen in het Spaans maken

Gesprekken voeren  


Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

1. Schrijf alle begroetingen die jij kent

Slide 3 - Open question

Slide 4 - Slide

2. Schrijf alle afscheid begroetingen die jij kent

Slide 5 - Open question

Slide 6 - Slide

3. Bepaalde en onbepaalde lidwoorden
In het Nederlands gebruiken we de lidwoorden de, het, een en een paar.
Wat weet je over de bepaalde en onbepaalde lidwoorden in het Spaans?

Slide 7 - Open question

Bepaalde lidwoorden (de / het)
Bepaalde lidwoorden gebruik je wanneer je over iets specifieks praat. 

| *el* | de / het (mannelijk) | el libro (het boek) |
| *la* | de / het (vrouwelijk) | la casa (het huis) |
| *los** | de (mannelijk meervoud) | los estudiantes (de studenten) |
| *las* | de (vrouwelijk meervoud) | las mesas (de tafels) |

Voorbeeldzinnen: 
El profesor habla con los estudiantes. /  De docent praat met de studenten. 
                                         La puerta está abierta. / De deur is open.


2. Onbepaalde lidwoorden (een)
Onbepaalde lidwoorden gebruik je wanneer iets niet specifiek is.

un een (mannelijk) un libro (een boek)
una een (vrouwelijk) una mesa (een tafel)
unos een paar / enkele (mannelijk) unos amigos (een paar vrienden)
unas een paar / enkele (vrouwelijk) unas flores (een paar bloemen)

Voorbeeldzinnen:
Un estudiante habla español. / Een student spreekt Spaan 
Una profesora trabaja aquí. / Een docent werkt hier.

Belangrijk: In het Spaans zijn zelfstandige naamwoorden mannelijk of vrouwelijk, daarom verandert het lidwoord mee. Voorbeeld: el hotel, la ciudad

Slide 8 - Slide

4. Zelfstandige naamwoorden
Wat weet je over mannelijke en vrouwelijke zelfstandige naamwoorden in het Spaans?
Leg uit wanneer een zelfstandig naamwoord mannelijk of vrouwelijk is en noem ook enkele uitzonderingen.

Slide 9 - Open question

Slide 10 - Slide

4. Bijvoegelijke naamwoorden
Wat weet je over mannelijke en vrouwelijke Bijvoegelijke naamwoorden in het Spaans?
Leg uit wanneer een bijvoegelijke naamwoord mannelijk of vrouwelijk is en noem ook enkele uitzonderingen.

Slide 11 - Open question

Slide 12 - Slide

5. Regelmatige werkwoorden
Wat weet je over regelmatige werkwoorden in het Spaans? Leg uit hoe ze worden vervoegd en geef enkele voorbeelden.

Slide 13 - Open question

Slide 14 - Slide

6. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
HABLAR

Slide 15 - Open question

6. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
COMER

Slide 16 - Open question

7. Vervoeg de volgende regelmatige werkwoord
VIVIR

Slide 17 - Open question

Slide 18 - Slide

7. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
SER

Slide 19 - Open question

8. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
ESTAR

Slide 20 - Open question

8. Vervoeg de volgende ONregelmatige werkwoord
TENER, HACER, QUERER

Slide 21 - Open question

9. Wanneer gebruik je het werkwoord TENER?

Slide 22 - Open question

Slide 23 - Slide

10. Wat is het verschil tussen TENER en TENER QUE?

Slide 24 - Open question

Slide 25 - Slide

Slide 26 - Slide

11. Wat betekend:
YO HE COMIDO
YO HE RESERVADO
YO HE VIVIDO

Slide 27 - Open question

12. Verleden tijd
Wat moet je doen als je een werkwoord in de verleden tijd wilt schrijven?
Welke regels horen daarbij? Geef ook een paar voorbeelden.

Slide 28 - Open question

Slide 29 - Slide

Slide 30 - Slide

  1. korte en eenvoudige zinnen schrijven in het Spaans
  2. Begin met een persoon: Yo, tú, él, ella, nosotros.
  3. Kies daarna een werkwoord: hablar, comer, vivir, estudiar.
  4. Voeg eventueel extra informatie toe: Yo estudio español.
  5. Gebruik de basisvolgorde: persoon + werkwoord + aanvulling.
  6. Maak je zinnen niet te lang. Eén boodschap per zin is genoeg.
  7. Gebruik woorden die je al kent. Bijvoorbeeld: Tengo un perro.
  8. Begin met eenvoudige werkwoorden zoals ser, estar, tener, vivir en gustar.
  9. Schrijf over bekende onderwerpen, zoals jezelf, familie, school, hobby’s en eten.
  10. Gebruik eenvoudige verbindingswoorden zoals y (en), pero (maar) en porque (omdat).

  1. Voorbeeld: Me llamo Ana y vivo en Madrid.
  2. Voorbeeld: Tengo dos hermanos.
  3. Voorbeeld: Me gusta la música porque es divertida.
  4. Controleer of het werkwoord bij de persoon past: Yo hablo, maar ella habla.
  5. Lees je zin hardop. Zo hoor je vaak of de zin logisch en eenvoudig klinkt.
  6. Oefen eerst met korte zinnen en maak ze daarna stap voor stap iets langer.
Korte en eenvoudige zinnen schrijven in het Spaans

Slide 31 - Slide

Slide 32 - Slide

Slide 33 - Slide

Slide 34 - Slide

¡HASTA PRONTO! 

Slide 35 - Slide