Zegt iets over het zelfstandige naamwoord. Kleur, materiaal, eigenschap, enzovoort.
Staat er direct voor en soms achter een zelfstandig naamwoord; Een paarse krokodil – De krokodil is paars.
Heeft soms een verbogen vorm; Het ticket is goedkoop – het goedkope ticket
Krijgt bij stoffen en materialen'-en' erachter; Het stalen kettingslot – de katoenen sok
Slide 9 - Slide
Bedenk bij ieder object een bijvoeglijk naamwoord (de blauwe/ronde knop).
Slide 10 - Open question
Bijvoeglijk naamwoord
Het kan zelfstandig gebruikt worden als er voldoende context is; Ik wil een blauwe, geen groene.
Heeft vaak trappen van vergelijking; Deze is laag, die is lager en die het laagst.
Zijn soms afgeleid van een werkwoord. Blaffende honden bijten niet.
Slide 11 - Slide
Bijvoeglijk naamwoord
Stel een vraag om te ontdekken wat de bijvoegelijke naamwoorden zijn. Wat is/zijn + zelfstandig naamwoord?
Let op de spelling
De-woorden + e (ook bij een)
Het-woorden + e (bij een zonder e)
Stof en materialen + 'en' Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord vertelt je van welk materiaal iets gemaakt is.
<div><div>Er zijn ook <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">uitzonderingen</span>! Kijk maar eens naar de voorbeelden:</div></div><div><ul><li>de polyester trui </li><li>het plastic tasje </li></ul></div><div>Je ziet dat deze stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden niet op -en eindigen. Dat komt meestal omdat het om <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">nieuwere stoffen</span> gaat, die <span style="font-weight: bold; color: rgb(244, 130, 33)">de mens zelf heeft uitgevonden</span>. De woorden ‘plastic’ en ‘polyester’ zijn daar voorbeelden van. We geven je nog wat voorbeelden:</div><div><ul><li>het aluminium bootje </li><li>een nylon touw </li><li>de latex handschoenen</li></ul></div><div> </div><div> </div><div> </div>
Slide 12 - Slide
De gele, nieuwe bank
Een gele nieuwe bank
De lieve, zachte pandabeer
Een lieve, zachte pandabeer.
De blanke, jonge man.
Een blanke, jonge man
Het houten, warme bed.
Een houten, warm bed
Het volle, kleine zwembed.
Een vol, klein zwembad.
Slide 13 - Slide
Werkwoorden
Geven aan welke handeling, toestand, proces er in de zin centraal staat (doe-woord).
Geven aan in welke tijd een zin staan (vt - tt).
Passen zich altijd aan het onderwerp aan (ow ev dan ww in ev / ow mv dan ww in mv).
Slide 14 - Slide
Soorten werkwoorden
Persoonsvorm Wij lopen altijd naar school.
Voltooid deelwoord Wij hebben gisteren 10 kilometer gelopen.
Onvoltooid deelwoord Lopend ging hij naar zijn werk.
Hele werkwoord/infinitief Wij willen daar graag lopen.
Slide 15 - Slide
Noteer alle zelfstandig naamwoorden (ZN), alle bijvoeglijk naamwoorden (BVN), alle lidwoorden (LW) en alle werkwoorden (WW).
De nieuwe brugklasleerlingen zijn vorige week voor de introductie op school geweest. Het warme weer zorgde ervoor dat de klassen veel naar buiten gingen. Deze week zijn de lessen begonnen en moeten de leerlingen bij Nederlands direct een lange, saaie tekst ontleden.
Slide 16 - Open question
Leerdoelen
Aan het eind van deze les...
weet je wat zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijk naamwoorden, lidwoorden en werkwoorden zijn.
kun je de woordsoorten ZN, BN LW en WW herkennen en uitleggen wat de kenmerken zijn.
kun je de regels voor het schrijven van het BVN toepassen.
kun je zelfstandig de woordsoorten WW, ZN, BN en LW in tekst benoemen.
Slide 17 - Slide
Schrijf op wat je deze les hebt geleerd
Slide 18 - Open question
Schrijf op wat je het moeilijkste vond van deze les en leg uit waarom.
Slide 19 - Open question
Na deze uitleg,
wil ik...
de uitleg nog 1 keer horen/bekijken
meer voorbeelden krijgen
mijn huiswerk maken
de leerstof thuis nog even bekijken
overgaan naar nieuwe leerstof
nog meer te weten komen over de leerstof
niet meer te weten komen over de leerstof
nog iets anders (vul de vraag op de volgende slide in)
Slide 20 - Poll
Nog iets anders, namelijk...
Slide 21 - Open question
Aan de slag!
Leerwerkboek A opdracht 1 tot en met 4
Hoofdstuk 2.1 pagina 35-38
Vrijdag begin van de les moeten die opdrachten af zijn.