Op wat voor soort wegen kan polderblindheid voorkomen?
A
Op lange eentonige wegen in vlakke gebieden.
B
Op wegen waar veel bomen langs de zijde van de rijbaan staan.
C
Op auto(snel)wegen buiten de bebouwde kom.
1 / 69
next
Slide 1: Quiz
RijopleidingBeroepsopleiding
This lesson contains 69 slides, with interactive quizzes.
Lesson duration is: 60 min
Items in this lesson
Op wat voor soort wegen kan polderblindheid voorkomen?
A
Op lange eentonige wegen in vlakke gebieden.
B
Op wegen waar veel bomen langs de zijde van de rijbaan staan.
C
Op auto(snel)wegen buiten de bebouwde kom.
Slide 1 - Quiz
Verkeersdruppels hebben verschillende functies. Welk van de onderstaande functies is juist?
A
Zij zorgen voor geleiding van het verkeer.
B
Zij hebben snelheidsremmende werking.
C
Beide antwoorden zijn juist.
Slide 2 - Quiz
Hoe wordt een bocht die niet constant is, maar scherper wordt genoemd?
A
Cirkelbocht
B
Nabocht
C
Overgangsbocht
Slide 3 - Quiz
Wat is de functie van een voetgangerssluis?
A
Dat voetgangers niet in een keer de oversteekplaats op kunnen lopen, maar via een zig-zag beweging.
B
Dat alleen voetgangers de oversteekplaats kunnen bereiken.
C
Dat ouderen voldoende tijd krijgen om rustig over te steken.
Slide 4 - Quiz
Op ongeveer hoeveel afstand staan op een rechte weg de witte en rode bermpaaltjes van elkaar?
A
25m
B
50m
C
100m
Slide 5 - Quiz
Wat is bij ernstig mistig weer een veilige afstand als het zicht 100 meter bedraagt en u rijdt 100 km/u?
A
60m
B
100m
C
120m
Slide 6 - Quiz
Wat is het grootste voordeel van een minirotonde?
A
Fietsers mogen de rotonde volgen.
B
Minder ongevallen.
C
Minder letselongevallen.
Slide 7 - Quiz
Welke drie factoren bepalen de grootte van de middelpuntvliedende kracht (centrifugaal kracht)?
A
Snelheid van het voertuig, massa van het voertuig en de straal van de bocht.
B
Snelheid van het voertuig, massa van het voertuig en de lengte van de bocht .
C
Snelheid van het voertuig,hoogte van het voertuig en de straal van de bocht.
Slide 8 - Quiz
Welke voorbeelden zijn actieve veiligheden in een voertuig?
A
Airbag, kooiconstructie en hoofdsteunen.
B
ABS, panoramische voorruit en rembekrachtiging.
C
Kindersloten op de achterdeuren, kreukelzone en rolbeugels.
Slide 9 - Quiz
Wat is het doel van een verkeersdruppel?
A
Meer zicht op een kruispunt.
B
Snelheidsremmer.
C
Het vergroten van het oprijzicht.
Slide 10 - Quiz
De wegbeheerder maakt van een kruispunt een rotonde. Wat is het doel van het aanleggen van de rotonde?
A
Functioneel gebruik.
B
Voorspelbaar gebruik.
C
Homogeen gebruik.
Slide 11 - Quiz
Waar en hoe bevinden je handen zich op het stuur bij een juiste stuurhouding?
A
Handen op tien voor twee en duimen op het stuur.
B
Handen op kwart voor drie en duimen op het stuur
C
Handen op kwart voor drie en duimen om het stuur.
Slide 12 - Quiz
Tijdens het oprijden van een autosnelweg gaat op het elektronisch signaleringsbord de maximumsnelheid in werking. U hebt dit waargenomen en past uw snelheid aan Dit laatste hoort bij het taakproces?
A
Waarnemen
B
Beslissen
C
Handelen
Slide 13 - Quiz
U nadert een kruispunt. Van links ziet u een bromfietser met hoge snelheid naderen. U bent bezig met het taakproces?
A
Waarnemen.
B
Voorspellen.
C
Evalueren.
Slide 14 - Quiz
Om een eventuele file te ontlopen gaat een echtpaar met de trein naar een evenement. Dit is een goede keuze, want dit echtpaar houdt rekening met het maatschappelijke criterium?
A
Verkeersveiligheid
B
Verkeersdoorstroming
C
Mobiliteitsbeheersing
Slide 15 - Quiz
In welk taakproces kan men (nog) voor een ander alternatief kiezen?
A
Waarnemen.
B
Evalueren.
C
Beslissen.
Slide 16 - Quiz
Onder defensief rijgedrag wordt verstaan?
A
De bereidheid tonen om verkeersconflicten op te lossen.
B
Zodanig rijden dat verkeersconflicten worden voorkomen.
C
Kiezen voor een alternatief vervoersmiddel.
Slide 17 - Quiz
Anticiperen is een ....
A
Denkactiviteit
B
Doe activiteit
C
Reflex
Slide 18 - Quiz
Anticiperen vindt plaats:
A
Voordat een bepaalde situatie plaats gaat vinden.
B
Nadat een bepaalde situatie plaats heeft gevonden.
C
Tijdens een bepaalde situatie.
Slide 19 - Quiz
Je ziet een weg. Rechts is een trambaan. Jij maakt gebruik van de rijbaan en wilt rechts afslaan. De tram rijdt rechts van je en de tram buigt naar links. Hoe is het in deze situatie geregeld.
A
Trambestuurder moet jouw voorang verlenen.
B
Jij moet trambestuurder voorrang verlenen.
C
Jij moet trambestuurder voor laten gaan.
Slide 20 - Quiz
Vanaf welke leeftijd mag een persoon lessen op een motorfiets A-licht.
A
18 jaar en ouder
B
Vanaf 21 jaar
C
vanaf 24 jaar
Slide 21 - Quiz
Je ziet een rijbaan met een onderbroken asstreep en aan weerszijden fietsstroken met doorgetrokken streep . De fietsstrook aan de linkerzijde kan in verband met werkzaamheden niet worden gebruikt door fietsers. Je ziet dat 2 fietsers naast elkaar rijden op dezelfde fietsstrook en die komen je tegemoet. Deze fietser zijn dus eigenlijk "spook" aan het rijden. Wat moeten de fietsers in deze lastige situatie doen?
A
Zij moeten allemaal stoppen en in elk geval niet uitwijken naar de rijbaan.
B
De 2 fietsers moeten stoppen en in elk geval niet uitwijken naar de rijbaan.
C
De 2 fietsers moeten een stukje uitwijken naar de rijbaan en gewoon door fietsen.
Slide 22 - Quiz
Hoe lang duurt het CBR-examen voor de categorie B.
A
Tenminste 35 minuten.
B
Tenminste 45 minuten.
C
Ongeveer 55 minuten.
Slide 23 - Quiz
U wilt de rode auto inhalen hoe moet u handelen
A
De rode auto rechts inhalen
B
Zelfde snelheid aan houden als de rode auto.
C
Verplaatsen naar de linkerrijstrook en de rode auto gaat zijn plaats op de weg vanzelf corrigeren.
Slide 24 - Quiz
Hoe herkent u een officiële volgauto van een uitvaartstoet?
A
De volgauto's moeten dimlichten voeren.
B
Zij moeten het officiële herkenningsteken van een uitvaartstoet voeren.
C
Geen teken voeren maar als zij de lijkenwagen maar volgen.
Slide 25 - Quiz
Mag je een bromfiets inhalen vlak voor een oversteekplaats met kanalisatiestrepen?
A
Je mag de bromfiets inhalen vlak voor een oversteekplaats.
B
Je mag de bromfiets niet inhalen vlak voor een oversteekplaats.
C
Het is verboden vlak voor of op een oversteekplaats een voertuig in te halen.
Slide 26 - Quiz
Hoe noemen wij een weg in een gebied waar veel soorten verkeer bij elkaar komen.
A
Stroomweg
B
Erftoegangsweg
C
Gebiedsontsluitingsweg
Slide 27 - Quiz
Hoe moeten wij een weg in een gebied waar veel gewisseld en gestroomd wordt?
A
Stroomweg
B
Erftoegangsweg
C
Gebiedsontsluitingsweg
Slide 28 - Quiz
Waar houd u verkeersinzichtelijk rekening mee bij dit bord?
A
Bestuurder die zoeken naar een parkeerplaats.
B
Je houdt rekening met personen die aan het laden en lossen zijn.
C
Dat deze plek alleen voor vrachtauto's zijn bestemd.
Slide 29 - Quiz
Je komt stil te staan voor een open brug . In welk geval is het raadzaam om de motor af te zetten.
A
Verkeersstop langer 20 seconden.
B
Verkeersstop langer van 1 minuut.
C
Verkeersstop langer dan 30 seconden.
Slide 30 - Quiz
Wat is het doel van een rimpelbuis obstakelbeveiliging?
A
Absorberen van botsenergie.
B
Scheiden van de rijbaan.
C
Om het verkeer te geleiden.
Slide 31 - Quiz
Hoe is hier de voorrang geregeld?
A
De ruiter verleent de bestuurder van het voertuig voorrang.
B
De bestuurder van het voertuig verleent de ruiter voorrang.
C
De bestuurder van het voertuig moet de ruiter voor laten gaan.
Slide 32 - Quiz
Je rijdt achter een fietser. Je wilt de fietser inhalen en je denkt hoe je in het kader van de verkeersveiligheid deze fietser kan inhalen. Wat ben je op dat moment aan het doen?
A
Voorspellen
B
Evalueren
C
Waarnemen
Slide 33 - Quiz
Wie heeft de verplichting om dimlichten te voeren indien bij dag het zicht ernstig wordt belemmerd en hij nacht?
A
Bakfiets en Brommobiel.
B
Bromfiets en snorfiets.
C
Gehandicapte voertuig en motorvoertuig.
Slide 34 - Quiz
Je rijdt op een weg met een onderbroken as streep. Je ziet dat de asstreep als waarschuwingsstrepen zijn aangebracht. Je wilt hier iemand laten uitstappen . Waar is het verkeersinzichtelijk handig om een persoon te laten uitstappen?
A
Links van de rijbaan
B
Op de rijbaan
C
In de Berm
Slide 35 - Quiz
Je rijdt hier en je ziet deze combinatie van borden. Waar hou je verkeersinzichtelijk rekening mee?
A
Sterk afremmende bestuurders
B
Voertuigen die je van achteren met hoge snelheid naderen
C
Inhalende voertuigen.
Slide 36 - Quiz
Onder welke categorie voertuigen valt dit voertuig?
A
Gehandicaptenvoertuig
B
Brommobiel
C
Motorvoertuig
Slide 37 - Quiz
Je nadert een mini rotonde . Hoe ga je richting aangeven als je de rotonde 3/4 moet verlaten?
A
Op de rotonde links en bij het verlaten van de rotonde rechts richting aangeven.
B
Voortijdig links op de rotonde handmatig uitzetten en bij afslaan recht richting aangeven.
C
Voortijdig links en afhankelijk van de verkeerssituatie richting aangeven naar links en bij het verlaten richting geven naar rechts.
Slide 38 - Quiz
In welk situatie mag je een uitvaartstoet niet doorkruisen?
A
kruising met verkeerslichten
B
Kruising binnen de bebouwde kom.
C
Gelijkwaardig kruispunt.
Slide 39 - Quiz
Een bestuurder heeft last van nachtblindheid . Wat is daarvan het gevolg?
A
De bestuurder ziet minder kleuren in het donker en ziet daardoor minder goed.
B
Tegemoetkomend verkeer maakt de bestuurder blind bij het passren.
C
De bestuurder ziet slecht opzij.
Slide 40 - Quiz
Een grote overweg met meerdere rails. Een auto kan niet doorrijden vanwege verkeer voor hem. Hierdoor staat hij opgesteld tussen de sporen van de overweg . Wat is geregeld in deze situatie?
A
Ja dit mag zo, want hij staat veilig .
B
Ja, hij staat hier veilig ,maar is niet toegestaan.
C
Nee, mag niet.
Slide 41 - Quiz
Binnen de bebouwde kom heb je te maken met een autoweg. Toelatingseis is 50km/u. Een auto is defect en kan niet harder kan dan 40km/u rijden. Mag je met deze auto op de autoweg binnen de bebouwde kom rijden?
A
Ja, het is binnen de bebouwde kom.
B
Ja, als je het verkeer maar niet hindert.
C
Nee, je mag de autoweg niet op, omdat je maar 40km/u kan rijden.
Slide 42 - Quiz
Wat is de maximumsnelheid van een gehandicaptenvoertuig op een trottoir?
A
Stapvoets
B
6km/u
C
10km/u
Slide 43 - Quiz
Je hebt geparkeerd in de berm van een autoweg buiten de bebouwde kom en het is nat en donker. Welke verplichting heb je voor wat betreft het voeren van verlichting?
A
Parkeerlichten
B
Stadslichten + achterlichten
C
Geen verlichting
Slide 44 - Quiz
Je staat stil op een vluchthaven van een autoweg. Welke lichten moet je voeren?
A
Parkeerlichten
B
Stadslichten + achterlichten
C
Geen verlichting
Slide 45 - Quiz
2 todrive Je wordt over 4 maanden 18 jaar hoe lang moet een begeleider meerijden?
A
Tot de dag dat je 18 jaar wordt.
B
1 jaar lang.
C
Geen begeleider nodig.
Slide 46 - Quiz
Mag je in de berm stilstaan om lifters mee te nemen?
A
Ja, je mag in de berm stilstaan.
B
Nee, je mag hier geen lifters meenemen.
C
Ja, want in de berm mag je parkeren.
Slide 47 - Quiz
Hoe noemen we de strook die is afgekruist?
A
Bufferstrook.
B
Redresseerstrook.
C
Spitsstrook.
Slide 48 - Quiz
Jij gaat linksaf (auto)en fietser (tegemoet) gaat rechtdoor. Hoe is het voor laten in deze situatie geregeld?
A
Fietser moet autobestuurder voor laten gaan.
B
Autobestuurder moet fietser voor laten gaan.
C
Autobestuurder moet fietser voorrang verlenen.
Slide 49 - Quiz
Fietser gaat rechtdoor (boven) en de auto (onder)wilt linksaf slaan. Hoe is de voorrang geregeld en of voor laten gaan in deze situatie geregeld?
A
Autobestuurder moet fietser voorrang verlenen.
B
Fietser moet autobestuurder voor laten gaan.
C
Autobestuurder moet fietser voor laten gaan.
Slide 50 - Quiz
Wat doe in deze situatie? (verkeersinzichtelijk)
A
Dimlicht of stadslicht voeren.
B
Meer rechts rijden bij passeren.
C
Snelheid opvoeren.
Slide 51 - Quiz
Hoe moet de witte auto handelen om uit te voegen?
A
Achter de auto blijven rijden tot de uitrijstrook en dan bij de blokmarkering opschuiven en autosnelweg verlaten.
B
Je gaat de auto voor je rechts inhalen om uit te voegen.
C
Je haalt de auto voor je links in en dan rechts voor de auto rijden en vervolgens uitvoegen.
Slide 52 - Quiz
Je ziet een witte camper rijden op de invoegstrook van een autosnelweg. De camper is bijna bij het puntstuk. Mag deze bestuurder invoegen op de autosnelweg.
A
Ja,dit is toegestaan
B
Ja,maar dan moet hij de snelheid opvoeren
C
Nee, niet toegestaan
Slide 53 - Quiz
Je ziet een rijbaan. Aan de linkerzijde langs de rijbaan zie je een fietspad bestemd voor verkeer in beide richtingen. Rechts van de rijbaan zie je een trottoir. Wat voor soort fietspad is dit .
A
Vrij liggend fietspad.
B
Eenzijdig fietspad
C
Tweezijdig fietspad
Slide 54 - Quiz
Waarom vinden er minder ongevallen plaats op de autosnelweg.
A
Op de autosnelweg rijden de auto's met grotere afstanden.
B
Op de autosnelweg is er sprake van scheiding van verkeerssoorten en dus homogeen gebruik.
C
Op autosnelweg is er geen kruisend verkeer.
Slide 55 - Quiz
Wanneer mag je hier vrij parkeren?
A
Zaterdag 8:00uur tot 17:00 uur
B
Zaterdag 17:00uur tot de volgende week zaterdag 08:00 uur.
C
zaterdag 17:00 uur tot 08:00 uur
Slide 56 - Quiz
Waar mag je een bromfiets plaatsen.
A
Uiterste zijde/rechts van de rijbaan
B
Fietspad of fiets- bromfietspad
C
Voetpad/trottoir of stalling
Slide 57 - Quiz
Wat voor soort weg zie je hier?
A
Een 80 km/u weg, waar ingehaald mag worden
B
Een 60/80 km/u weg ,waar niet ingehaald mag worden
C
Een 60 km/u weg waar ingehaald mag worden
Slide 58 - Quiz
Je ziet dat een auto is gestopt voor een geopende brug. Mag de bestuurder zijn mobiele telefoon vasthouden?
A
Ja, de auto rijdt niet.
B
Ja, de auto neemt geen deel aan het verkeer.
C
Nee
Slide 59 - Quiz
Je ziet een voorrangskruispunt. beide voertuigen hebben bord B6. Je ziet dat een auto van rechts nadert die links af wil slaan. Deze auto is net voor de haaientanden . Jij komt uit de tegenovergestelde richting en jij wilt rechtdoor rijden. Jij bent op enige afstand ten opzichte de haaientanden. Wat is het verstandigste om in deze situatie te doen.
A
Je maakt oogcontact en rijdt besluitvaardig door. Je laat de bestuurder dus niet voorgaan.
B
Je laat de bestuurder voorgaan in het kader van sociaal rijgedrag.
C
Je laat de auto voorgaan ,want deze is eerder
Slide 60 - Quiz
Een tractor haalt een fietser in op een vrij normale rijbaan. Moet de tractor richting aangeven?
A
Nee, de tractor maakt geen belangrijke zijdelingse verplaatsing
B
Nee, de tractor haalt geen motorvoertuig in.
C
Ja, hij moet richting aangeven.
Slide 61 - Quiz
Je ziet een rijbaan met aan beide zijde een fietsstrook aangeven middels onderbroken streep. Je ziet dat de rijbaan een flauwe bocht maakt naar rechts. Vlak voor je haalt een auto precies in de bocht een fietser in, jij rijdt achter deze auto en fietser. Wat kan je in deze situatie verwachten.
A
Auto voor je kan sterk afremmen
B
Tegenmoet komend verkeer.
C
Je moet gebruik maken van de fietsstrook.
Slide 62 - Quiz
Mag een brommobiel buiten de bebouwde kom harder rijden.
A
5 km per uur
B
15 km per uur
C
Dezelfde snelheid als binnen de bebouwde kom.
Slide 63 - Quiz
Je ziet een rijbaan met deze bordencombinatie. Rechts zie je water en links van de rijbaan zie je een trottoir. Je wilt deze weg inrijden. Wie kan je als tegemoetkomend verkeer verwachten?
A
Voetgangers
B
Bestuurders
C
Snorfietsers en bromfietsers
Slide 64 - Quiz
Mag je een fietser op een VOP inhalen.
A
Nee, je mag bestuurders niet inhalen
B
Ja
C
Nee, een voertuig mag je niet inhalen.
Slide 65 - Quiz
Een 21-jarige rijinstructeur heeft alcohol genuttigd. Het bleek dat hij 0,3 promille had gedronken. Wat is bepaald ten aanzien van deze overtreding?
A
Hij krijgt slechts een rijverbod.
B
Hij mag rijden of les geven.
C
Hij is strafbaar voor rijden onder invloed.
Slide 66 - Quiz
2 foto`s, 1 is een 80 km/u weg met rechts een parkeerhaven. Foto 2 is een autoweg met rechts een vluchthaven. In welk geval moet u wanneer u stilstaat bij nacht verlichting voeren?
A
Foto 1
B
Foto 2
C
Foto 1 en 2
Slide 67 - Quiz
Dit voertuig gebruikt meer brandstof, hoeveel meer ongeveer?
A
5 %
B
20%
C
40%
Slide 68 - Quiz
Een persoon is al 2 jaar in het bezit van een Duits rijbewijs. Hij wisselt het rijbewijs om naar een Nederlands rijbewijs. Hoe lang is hij nog beginnend bestuurder?