This lesson contains 29 slides, with interactive quiz and text slides.
Items in this lesson
Welkom allemaal!
Slide 1 - Slide
Check-in
Slide 2 - Slide
Wat kan jou vandaag helpen om er een goede les van te maken?
Slide 3 - Mind map
Programma
Lesdoelen
3 stellingen
Samenwerkingsopdracht
Nabespreken opdracht
Afronding: exit-ticket + prijsje
Slide 4 - Slide
Lesdoelen
Je licht aan het einde van deze les de belangrijkste begrippen uit Hoofdstuk 16 (Strafbaarheid en strafuitsluiting) toe.
Je benoemt bij deze begrippen uit Hoofdstuk 16 een praktisch voorbeeld.
Slide 5 - Slide
De Officier van Justitie bepaalt uiteindelijk of iemand terecht een beroep doet op een strafuitsluitingsgrond.
Waar of niet waar?
Slide 6 - Slide
Waar of niet waar?
Drank en drugs leveren bij een gepleegd feit geen ontoerekeningsvatbaarheid op.
Slide 7 - Slide
Het Wetboek van Strafrecht kent maar 2 manieren om gestraft te worden: als dader van een strafbaar feit en als medepleger van een misdrijf.
Waar of Niet waar?
Slide 8 - Slide
Samenwerkingsopdracht
Tweetallen
1 setje begrippen (blauw) en 1 setje definities (groen)
Alle kaartjes door elkaar
Leg het juiste begrip bij de juiste definitie zonder hulpmiddel (boek etc.)
Bedenk alvast een voorbeeld per begrip!
Als eerste klaar? prijs!
Tijd: 5 minuten
Slide 9 - Slide
Opzet
Willens en wetens handelen, gericht op het veroorzaken van een verboden gevolg.
Voorbeeld: na een ruzie pakt een man een hamer uit de garage, loopt terug en slaat zijn vrouw op het hoofd
Slide 10 - Slide
Schuld in ruime zin
Verzamelbegrip voor opzet en schuld in enge zin.
Slide 11 - Slide
Schuld in enge zin
Grove nalatigheid waardoor een verboden gevolg ontstaat, zonder dat dit gewild was
Voorbeeld: een werknemer rijdt veel te hard door een bedrijfshal met een heftruck. Hij stoot een zware container om die op zijn collega valt, die daardoor overlijdt.
Slide 12 - Slide
Poging
Begin van uitvoering van een misdrijf, maar niet voltooid.
Voorbeeld: Een inbreker forceert een raam, maar vlucht zodra het alarm afgaat, voordat er spullen zijn gestolen.
Slide 13 - Slide
Voorbereiding
Handelingen ter voorbereiding van een ernstig misdrijf (≥ 8 jaar)
Voorbeeld: het kopen van een vuurwapen om een moord te plegen of maken van een plattegrond om een overval te plegen op een bank
Slide 14 - Slide
Vrijwillige terugtreding
Uit eigen wil stoppen voordat het misdrijf wordt voltooid.
Voorbeeld: Een inbreker staat met een breekijzer bij een achterdeur en heeft de deur al gedeeltelijk geforceerd. Op dat moment krijgt hij spijt of bedenkt hij zich dat hij dit niet wil doen. Hij laat het breekijzer vallen en loopt weg
Slide 15 - Slide
Pleger
Pleegt het strafbaar feit helemaal alleen (voert alle bestandsdelen zelfstandig uit)
Voorbeeld: Frits loopt een winkel binnen, pakt een dure telefoon en rent naar buiten. Frits pleegt de diefstal alleen.
Slide 16 - Slide
Medepleger
In bewuste en nauwe samenwerking met anderen een strafbaar feit uitvoeren.
Voorbeeld: Twee personen slaan tegelijkertijd in op een slachtoffer. Beiden zijn medepleger van mishandeling.
Slide 17 - Slide
Doenpleger
Laat een ander het feit plegen door hem te dwingen of misleiden.
Voorbeeld: Een kok (de doen-pleger) wil een gast vergiftigen en doet gif in een gerecht. Hij laat de ober (die van niets weet) het gerecht serveren. De ober pleegt geen doodslag, de kok is de doen pleger van moord/doodslag.
Slide 18 - Slide
Uitlokker
Lokt een ander opzettelijk uit om een strafbaar feit te plegen.
Voorbeeld: Persoon A betaalt persoon B 5.000 euro om de ruit van een concurrent in te slaan. A is de uitlokker. Persoon B is óók strafbaar, hij wéét dat dit niet mag.
Slide 19 - Slide
Medeplichtige
Opzettelijk behulpzaam bij het plegen van een misdrijf of geeft vooraf middelen/inlichtingen.
Voorbeeld: Een bankmedewerker vertelt een crimineel hoe het beveiligingssysteem werkt en wat de beste tijd is om te overvallen
Slide 20 - Slide
Ontoerekeningsvatbaarheid
Geen schuld door gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Voorbeeld: Een moeder in een acute psychose gooit haar kind van een balkon.
Slide 21 - Slide
Overmacht
Handelen door kracht, dwang of noodtoestand waaraan men redelijkerwijs geen weerstand kon bieden.
Voorbeeld: Het forceren van een deur (vernieling) om iemand uit een brandend huis te redden.
Slide 22 - Slide
Noodweer
Verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval op lijf, eerbaarheid of goed.
Voorbeeld: Een inbreker bedreigt een bewoner, die de inbreker daarop direct met een honkbalknuppel buiten westen slaat. Dit is noodzakelijke verdediging van lijf en goed.
Slide 23 - Slide
Noodweerexces
Overschrijding van noodzakelijke verdediging door hevige emotie tijdens noodweer
Voorbeeld: De inbreker is al overmeesterd en ligt op de grond, maar de bewoner blijft uit blinde paniek en woede doorslaan. De noodweersituatie was voorbij, maar de overschrijding kwam door een "hevige gemoedsbeweging"
Slide 24 - Slide
Wettelijk voorschrift
Handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift waardoor het feit niet wederrechtelijk is.
Voorbeeld: Een bevoegde opsporingsambtenaar gebruikt proportioneel en subsidiair geweld bij een aanhouding (op grond van Politiewet 2012)
Slide 25 - Slide
Ambtelijk bevel
Handelen op bevel van bevoegd gezag waardoor het feit niet wederrechtelijk is.
Voorbeeld: Een bevoegde opsporingsambtenaar regelt het verkeer bij een ongeval, en geeft het teken dat een aantal auto's door rood licht moeten rijden. Ze overtreden hiermee de wet, maar dit is gerechtvaardigd.
Slide 26 - Slide
Eendaadse samenloop
Eén gedraging valt onder meerdere strafbepalingen; zwaarste strafbepaling geldt.
Voorbeeld: Vernieling tijdens poging tot diefstal; een ruit inslaan om in te breken is zowel vernieling als poging inbraak.
Slide 27 - Slide
Lesdoelen behaald?
Je licht aan het einde van deze les de belangrijkste begrippen uit Hoofdstuk 16 (Strafbaarheid en strafuitsluiting) toe.
Je benoemt bij deze begrippen uit Hoofdstuk 16 een praktisch voorbeeld.