a. Waar parkeer jij je auto (o)? Wo parkst du dein Auto.
b. Kunnen we haar zus (v) vragen of zij ons kan helpen?
c. Deze vakantie (...) bevalt ons, omdat het weer goed is. (Ferien = mv / Urlaub = m)
d. Onze vlucht (m) had vertraging, daarom moesten we lang wachten.
e. Hoe was je vakantie (mv)?
f. Hun ouders (mv) hebben tijd om hun kinderen (mv) te bezoeken.
g. Weet jij misschien waar mijn koffer (m) is?
h. Haar reis (v) naar Oostenrijk was haar goed bevallen, omdat zij daar veel heeft meegemaakt.
i. Sommige mensen (mv) hebben veel tijd om op vakantie (mv) te gaan.
j. Elke week (v) rijdt hij naar Keulen om zijn oma te bezoeken.