lesson plan

Een reis door de filosofie

Ready to use this lesson plan? Use the button below to save a copy of this lesson plan in your account. After doing so, you will be able to modify the lessons as you wish.

Deze module introduceert de grondslagen van de filosofie aan de hand van denkers als Socrates, Plato en Aristoteles, en verkent vervolgens dieptepsychologie, doeldenken en Nietzsche.
Doelgroep:
Leerlingen van de middelbare school, bovenbouw.

Tijdsduur:
7 lessen van 45 minuten.

Inclusief toets.



Burgerschapsdoelen die aan bod komen:
  • Zelfbewustzijn: Reflectie op eigen opvattingen, waarden en morele keuzes.
  • Kritisch Denken: Analyse van filosofische methoden en theorieën.
  • Respect & Intercultureel Bewustzijn: Waardering voor historische en psychologische perspectieven.
  • Maatschappelijke Betrokkenheid: Discussie over ethische dilemma's en levensdoelen.
Deze lessenserie biedt ook de mogelijkheid voor zelfstandig leren door de leerlingen. Elk onderdeel van de les is ingesproken en beschikbaar gesteld, waardoor leerlingen de les zelfstandig kunnen beluisteren indien gewenst.

Les 1. De Grondslagen van Filosofie: Socrates en de Sofisten

Leerdoelen:
  • De leerling kan uitleggen wat het begrip filosofie betekent.
  • De leerling kan uitleggen wie Socrates was, wanneer hij leefde en hoe hij aan zijn einde kwam.
  • De leerling kan de werkwijze van Socrates uitleggen aan de hand van het socratisch debat.
  • De leerling kan uitleggen wat sofisten zijn en wat hun rol was in het oude Griekenland.
  • De leerling kan de politieke en maatschappelijke context van Athene in de tijd van Socrates beschrijven.
  • De leerling kan uitleggen wat belangrijke begrippen zoals democratie en aristocratie betekenen in deze context.
  • De leerling kan uitleggen wie  Protagoras was en wat zijn ideeën in grote lijnen inhouden.
  • De leerling kan een eigen mening vormen en uitleggen over de filosofie van Socrates en zijn betekenis voor nu.

Inhoud:
  • Definitie van Filosofie: De studie van vragen over het leven, kennis, waarheid, waarden en het menselijk denken.
  • Socrates: Zijn leven in het oude Griekenland, zijn manier van vragen stellen en zijn dood door het drinken van gifbeker met hemlock.
  • Socratisch Debat: Een manier van discussiëren waarbij vragen en antwoorden worden gebruikt om kritisch na te denken en de waarheid te zoeken.
  • Sofisten: Leraren in het oude Griekenland die zich richtten op retorica, spreken in het openbaar en overtuigingskracht.
  • Protagoras: Een bekende sofist die geloofde dat mensen waarheid op verschillende manieren ervaren.
  • Athens: De politieke en maatschappelijke situatie in de tijd van Socrates, met democratie en openbare discussies.
  • Democratie en Aristocratie: Verschillende bestuursvormen in het oude Griekenland waarbij de macht bij het volk of bij een bevoorrechte groep lag.
  • De gifbeker: Een giftige drank die werd gebruikt om Socrates ter dood te brengen na zijn proces in Athene.
  • Persoonlijke Reflectie: Een eigen mening vormen en uitleggen over de ideeën van Socrates en de sofisten en hun betekenis vandaag.

Les 2. Plato's Wereld: Ideeën en Allegorieën

Leerdoelen:
  • De leerling kan de werken van Plato in de drie verschillende periodes onderscheiden en beschrijven.
  • De leerling kan de allegorie van de grot uitleggen en deze interpreteren in eigen woorden.
  • De leerling kan de ideeënleer van Plato uitleggen en toepassen op voorbeelden uit de werkelijkheid.
  • De leerling kan uitleggen wat Plato bedoelt met werkelijkheid, schaduwen en mening.
  • De leerling kan uitleggen wat de rol is van dialoog in het werk van Plato.
  • De leerling kan de betekenis van de Akademia van Plato uitleggen.
  • De leerling kan een eigen mening over de ideeën van Plato formuleren en onderbouwen met argumenten.

Inhoud:
  • Werken van Plato: De verschillende periodes (vroeg, midden, laat) en hun belangrijkste thema’s.
  • Vroege dialogen: Plato’s eerste werken waarin Socratische vragen en discussies centraal staan.
  • Dialoog: Een manier die Plato gebruikt waarbij ideeën worden onderzocht via gesprekken tussen personen.
  • Akademia: De school die Plato oprichtte in Athens waar filosofie werd onderwezen.
  • Grot-allegorie: Een verhaal dat uitlegt hoe mensen gevangen kunnen zitten in onwetendheid en hoe ze de waarheid kunnen ontdekken.
  • Ideeën (ideeënleer): Plato’s idee dat perfecte vormen bestaan buiten de fysieke wereld.
  • Werkelijkheid: Wat volgens Plato echt is, voorbij wat wij kunnen zien.
  • Schaduwen: Illusies of valse beelden die mensen aanzien voor de werkelijkheid.
  • Mening: Opvattingen gebaseerd op gevoel of waarneming in plaats van echte kennis.
  • Matrix: Een moderne vergelijking met Plato’s idee dat de werkelijkheid niet is wat zij lijkt.

Les 3. Aristoteles: Ethiek en de Onbewogen Beweger

Leerdoelen:
  • De leerling kan uitleggen wat Aristoteles betekent voor de hedendaagse ethiek.
  • De leerling kan uitleggen wat de deugdethiek van Aristoteles inhoudt.
  • De leerling kan uitleggen wat eudaimonia, de gouden middenweg en ethiek betekenen binnen zijn filosofie.
  • De leerling kan het begrip “onbewogen beweger” uitleggen.
  • De leerling kan verschillen benoemen tussen het denken van Aristoteles en Plato.
  • De leerling kan uitleggen wat Aristoteles bedoelde met logica, retoriek en teleologie.
  • De leerling kan een eigen mening over de ethiek van Aristoteles formuleren en onderbouwen met argumenten.

Inhoud:
  • Aristoteles: Een Griekse filosoof die belangrijke bijdragen leverde aan ethiek, logica, wetenschap en veel andere kennisgebieden.
  • Kritiek op Plato: Aristoteles’ meningsverschillen met Plato, vooral over de ideeënleer en wat werkelijkheid is.
  • Eudaimonia: Het hoogste menselijke goed in de filosofie van Aristoteles, vaak vertaald als “geluk” of “bloeiend leven.”
  • Ethiek: De studie van goed en fout gedrag, vooral via de deugdethiek van Aristoteles.
  • Gouden middenweg: Het idee dat deugd ligt tussen twee uitersten, bijvoorbeeld moed tussen lafheid en roekeloosheid.
  • Logica: Het systeem van Aristoteles om correct redeneren en argumenten te onderzoeken.
  • Retoriek: De kunst van overtuigen en effectief spreken, door Aristoteles systematisch beschreven.
  • Teleologie: Het idee dat alles in de natuur een doel of einddoel heeft dat het gedrag en de ontwikkeling verklaart.
  • Onbewogen beweger: Het concept van de eerste oorzaak van beweging in het universum, die zelf niet door iets anders wordt bewogen.
  • Deugdethiek: Een ethische theorie die zich richt op het ontwikkelen van goede karaktereigenschappen in plaats van regels volgen.

Les 4. Freud en de Diepten van de Ziel

Leerdoelen:
  • De leerling kan uitleggen welke invloed Freud heeft gehad op de hedendaagse psychiatrie.
  • De leerling kan de persoonlijkheidstheorie van Freud uitleggen met de onderdelen id, ego en superego.
  • De leerling kan de ijsbergmetafoor uitleggen en hoe deze het bewuste en onbewuste verklaart.
  • De leerling kan het Oedipuscomplex uitleggen en de rol ervan binnen de psychoseksuele ontwikkeling beschrijven.
  • De leerling kan Freuds visie op religie uitleggen en de psychologische betekenis daarvan beschrijven.
  • De leerling kan uitleggen wat psychoanalyse en verdringing betekenen binnen Freuds theorie.
  • De leerling kan een eigen mening over Freuds theorieën formuleren en onderbouwen met argumenten.
Inhoud:
  • Persoonlijkheidstheorie van Sigmund Freud: De id, ego en superego en hoe deze samenwerken.
  • Id: Het deel van de persoonlijkheid dat wordt gedreven door basisinstincten en verlangens.
  • Ego: Het deel dat met de werkelijkheid omgaat en een balans zoekt tussen id en superego.
  • Superego: Het morele deel van de persoonlijkheid, gebaseerd op regels en idealen.
  • Bewuste geest: Het deel van de geest waar we ons van bewust zijn en actief over kunnen nadenken.
  • Onbewuste geest: Het deel van de geest waarin gedachten en herinneringen zitten waarvan we ons niet bewust zijn.
  • IJsbergmetafoor: Freud’s model van de geest waarbij het bewuste slechts een klein zichtbaar deel is en het onbewuste het grootste deel.
  • Psychoanalyse: Een therapievorm die het onbewuste onderzoekt om gedachten en gedrag te begrijpen.
  • Verdringing: Het proces waarbij ongewenste gedachten naar het onbewuste worden verdrongen.
  • Oedipuscomplex: Een theorie over onbewuste gevoelens in de kindertijd, zoals verlangen naar de moeder en rivaliteit met de vader.
  • Psychoseksuele ontwikkeling: Fasen in de kindertijd volgens Freud die gekoppeld zijn aan plezier en de ontwikkeling van persoonlijkheid.

Les 5. Doeldenken: Met of Zonder God

Leerdoelen:
  • De leerling kan de aspecten van doel-denken benoemen.
  • De leerling kan het verschil uitleggen tussen religieus doel-denken en doel-denken zonder God.
  • De leerling kan uitleggen hoe moderne westerse filosofen zoals Tolstoj en Marx denken over doel-denken zonder God.
  • De leerling kan uitleggen wat communisme betekent volgens Karl Marx.
  • De leerling kan uitleggen wat teleologie, subdoelen en zelfreflectie betekenen binnen dit onderwerp.
  • De leerling kan uitleggen hoe Tolstoj en Marx verschillen in hun visie op de zin van het leven.
  • De leerling kan een eigen visie op doel-denken formuleren en onderbouwen met argumenten.
Inhoud:
  • Aspecten van doel-denken (teleologie): Begrijpen hoe handelingen, het leven of de natuur kunnen worden verklaard vanuit doelen of bedoelingen.
  • Religieus doel-denken vs. niet-religieus doel-denken: Het verschil tussen het idee dat het leven een door God gegeven doel heeft en het idee dat mensen zelf betekenis geven zonder God.
  • Leo Tolstoj: Zijn visie dat de zin van het leven verbonden is met geloof en morele betekenis.
  • Karl Marx: Zijn visie dat betekenis en menselijke ontwikkeling worden bepaald door samenleving, arbeid en klassenstrijd, niet door religie.
  • Communisme (Marx): Een politiek en economisch systeem waarin klassenverschillen verdwijnen en middelen gezamenlijk worden gedeeld.
  • Teleologie: Het idee dat alles een doel of einddoel heeft dat het bestaan of de ontwikkeling verklaart.
  • Subdoelen: Kleinere doelen die bijdragen aan het bereiken van een groter einddoel.
  • Zelfreflectie: Nadenken over je eigen handelen, doelen en de zin van het leven.
  • Verschillen tussen Tolstoj en Marx: Tolstoj legt de nadruk op spirituele en morele betekenis, Marx op sociale en materiële omstandigheden.
  • Persoonlijke visie: Je eigen mening vormen en onderbouwen over doel-denken en de zin van het leven.

Les 6. Nietzsche's Wereld: God is Dood en de Wil tot Macht

Leerdoelen:
  • De leerling kan de “God is dood”-theorie van Nietzsche uitleggen en wat dit betekent voor traditionele religieuze en morele waarden.
  • De leerling kan de kernconcepten van Nietzsche uitleggen, zoals de wil tot macht, de Übermensch, de slavenmoraal, de herenmoraal en de eeuwige terugkeer.
  • De leerling kan uitleggen wat amor fati betekent en hoe dit past binnen het denken van Nietzsche.
  • De leerling kan uitleggen wat de laatste mens is volgens Nietzsche en wat dit zegt over de moderne mens.
  • De leerling kan uitleggen wat waardenschepping inhoudt binnen de filosofie van Nietzsche.
  • De leerling kan de verschillende kernbegrippen van Nietzsche met elkaar in verband brengen.
  • De leerling kan een eigen mening over het denken van Nietzsche formuleren en onderbouwen met argumenten.

Inhoud:
  • Friedrich Nietzsche: Een filosoof die traditionele religie en moraal bekritiseerde en mensen aanmoedigde om hun eigen waarden en betekenis te creëren.
  • Nietzsche’s filosofie: Een denkwijze die traditionele morele systemen afwijst en zich richt op zelfoverwinning en waardenschepping.
  • “God is dood”: Het idee dat traditionele religieuze overtuigingen geen leidende kracht meer zijn in de moderne samenleving, waardoor mensen zelf nieuwe waarden moeten creëren.
  • Wil tot macht: De fundamentele drijfkracht in de mens om te groeien, invloed uit te oefenen en zijn kracht of impact te vergroten.
  • Übermensch: De “overmens” die zijn eigen waarden schept en boven traditionele morele regels uitstijgt.
  • Slavenmoraal: Een waardensysteem dat nadruk legt op nederigheid, vriendelijkheid en medelijden, vaak als reactie op zwakte of onderdrukking.
  • Herenmoraal: Een waardensysteem dat kracht, trots, onafhankelijkheid en macht waardeert.
  • Eeuwige terugkeer: Het idee dat je je leven steeds opnieuw zou moeten kunnen leven, wat mensen uitdaagt om betekenisvol te leven.
  • Amor fati: “Liefde voor het lot”, het accepteren en omarmen van alles in het leven, inclusief lijden.
  • Laatste mens: Een persoon die risico’s vermijdt, comfort zoekt en symbool staat voor een afname van menselijke ambitie en grootsheid.
  • Waardenschepping: Het creëren van nieuwe waarden en betekenis in plaats van het volgen van traditionele morele regels.

Les 7. C.S. Lewis en de Zin van het Bestaan

Leerdoelen:
  • De leerling kan uitleggen wie C. S. Lewis was en waarom hij belangrijk is voor filosofie, ethiek en apologetiek.
  • De leerling kan uitleggen wat apologetiek is en hoe religieuze overtuigingen worden verdedigd met argumenten.
  • De leerling kan de begrippen agnosticisme, atheïsme en filosofisch materialisme uitleggen en van elkaar onderscheiden.
  • De leerling kan uitleggen wat de Tao is en wat dit betekent voor universele morele principes.
  • De leerling kan uitleggen wat C. S. Lewis bedoelt met “het hart (borst)” en waarom karaktervorming belangrijk is voor ethiek.
  • De leerling kan uitleggen hoe opvoeding, traditie en religie bijdragen aan de vorming van moreel karakter.
  • De leerling kan de relatie leggen tussen waarheid, wijsheid, zingeving en morele waarden binnen deze denkrichting.
  • De leerling kan een eigen mening over deze onderwerpen formuleren en onderbouwen met argumenten.

Inhoud:
  • C. S. Lewis: Een schrijver en denker die bekend staat om zijn werk op het gebied van filosofie, ethiek en christelijke apologetiek.
  • Ethiek: De studie van goed en fout gedrag in het menselijk handelen.
  • Apologetiek: Het verdedigen van religieuze overtuigingen met behulp van argumenten en redenering.
  • Agnosticisme: De overtuiging dat het onmogelijk is om te weten of God bestaat of niet.
  • Atheïsme: De overtuiging dat er geen God bestaat.
  • Filosofisch materialisme: De overtuiging dat alleen materiële dingen echt bestaan en dat alles kan worden verklaard door natuurkundige wetten.
  • Tao: Een begrip dat verwijst naar universele morele principes die het leven zouden leiden.
  • De borst (hart): Een metafoor die C. S. Lewis gebruikt om de bron van menselijke deugden en moreel karakter aan te duiden.
  • Karaktervorming: Het proces waarin goede morele eigenschappen en waarden in een persoon worden ontwikkeld.
  • Waarheid, wijsheid en morele waarden: Begrippen die gaan over het begrijpen van wat waar is, het nemen van goede beslissingen en het weten wat goed en fout is.