Organen en gaswisseling (Biologie havo), les 3: Terugblik quiz

STOFWISSELING · GASWISSELING

Quiz

Terugblik: Organen en gaswisseling

1 / 15
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

Cette leçon contient 15 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblik met twaalf vragen over orgaanstelsels, de weg van de lucht, ventilatie, longvolumes, de dode ruimte, diffusie en het transport door hemoglobine.

Éléments de cette leçon

STOFWISSELING · GASWISSELING

Quiz

Terugblik: Organen en gaswisseling

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Wagner Souza e Silva / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

Wat vormen meerdere organen die samenwerken?

A

Een orgaanstelsel

B

Een weefsel

C

Een cel

D

Een populatie

Organen die samenwerken vormen een orgaanstelsel. Verwachte fout: weefsel kiezen.

Wat doen slijm en trilharen in de luchtpijp?

A

Ze nemen zuurstof op in het bloed

B

Ze vangen stof en bacteriën op en voeren die af

C

Ze duwen de lucht sneller naar de longblaasjes

D

Ze zetten koolstofdioxide om in zuurstof

Slijm vangt stof en bacteriën op, trilharen voeren het af naar de keelholte. Verwachte fout: denken dat ze bij de gaswisseling horen.

Vul in

Bij rustig uitademen ontspannen de ademhalingsspieren en wordt het middenrif weer een koepel.

ontspannen
koepel
spannen
bol

Uitademen in rust gaat door ontspannen spieren. Verwachte fout: denken dat uitademen altijd spierinspanning kost.

Zet op volgorde, de weg van de lucht bij inademen

1

Longblaasje

2

Neus

3

Bronchie

4

Luchtpijp

Neus, luchtpijp, bronchie en dan het longblaasje. Verwachte fout: bronchie en luchtpijp omdraaien.

Welke ventilatiebeweging gebruikt vooral het middenrif?

A

Borstademhaling

B

Beide gebruiken alleen de tussenribspieren

C

Geen van beide gebruikt spieren

D

Buikademhaling

Buikademhaling gebruikt het middenrif, borstademhaling de tussenribspieren. Verwachte fout: de namen omdraaien.

Waarom daalt de longdruk bij inademen?

De borstholte en de longen worden groter, dus de druk in de longen wordt lager dan buiten. Verwachte fout: zeggen dat de lucht de longen opblaast.

Wat is de dode ruimte?

A

Luchtwegen waar geen gaswisseling plaatsvindt

B

De lucht die altijd in de longen blijft

C

Het deel van de long met kapotte longblaasjes

D

De ruimte tussen de longen en de ribben

De dode ruimte bestaat uit de luchtwegen zonder gaswisseling. Verwachte fout: de dode ruimte met het restvolume verwarren.

Hoe wordt koolstofdioxide vooral vervoerd in het bloed?

A

Gebonden aan de witte bloedcellen

B

Als gas in luchtbelletjes in het bloed

C

Als waterstofcarbonaat in het bloedplasma

D

Alleen gebonden aan zuurstof

Het grootste deel gaat als waterstofcarbonaat in het plasma. Verwachte fout: denken dat koolstofdioxide als gas door het bloed stroomt.

Wat hebben kieuwen en longblaasjes gemeen?

A

Ze halen beide zuurstof uit water

B

Ze zitten beide in de borstholte

C

Een groot oppervlak met een dunne wand voor gaswisseling

D

Ze bevatten beide kraakbeenringen

Beide hebben een groot oppervlak en een dunne wand. Verwachte fout: denken dat de bouw hetzelfde is omdat de functie hetzelfde is.

Wat is de longcapaciteit?

A

Alle lucht in de longen na zo diep mogelijk inademen

B

Alleen de lucht die je kunt uitademen

C

De lucht die bij rustig ademen in en uit gaat

D

De lucht in de luchtpijp en bronchiën

De longcapaciteit is vitale capaciteit plus restvolume. Verwachte fout: de longcapaciteit met de vitale capaciteit verwarren.

Waarom geeft hemoglobine zuurstof af in de weefsels?

A

De zuurstofdruk is daar hoog

B

Hemoglobine kan in de weefsels niets binden

C

Rode bloedcellen vallen daar uit elkaar

D

De zuurstofdruk is daar laag

Bij een lage zuurstofdruk geeft hemoglobine zuurstof af. Verwachte fout: denken dat een hoge druk de zuurstof losmaakt.

Welk orgaanstelsel regelt hoe snel en diep je ademt?

A

Het spijsverteringsstelsel

B

Het zenuwstelsel

C

Het uitscheidingsstelsel

D

Het beenderstelsel

Het zenuwstelsel stuurt de ademhalingsspieren aan. Verwachte fout: het ademhalingsstelsel zelf noemen.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

STOFWISSELING · GASWISSELING

Goed gedaan!

Je weet nu hoe lucht in de longen komt, hoe gaswisseling werkt en hoe zuurstof door het bloed wordt vervoerd.

Cet élément n'a pas d'instructions