Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Kengetallen en rentabiliteit
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Kengetallen en rentabiliteit
Examenstof bedrijfseconomie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: G 32.2-32.4. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan kengetallen voor liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit berekenen en de ontwikkeling over twee jaar beoordelen vanuit een stakeholder.
Cet élément n'a pas d'instructions
Een bank, een belegger en een investeerder kijken naar dezelfde bv. Welke vragen stelt elk van hen over de cijfers?
Verwachte woorden: kan ze betalen, rente, aflossing, dividend, rendement, risico, onderpand, groei. Hang ze later op bij liquiditeit en solvabiliteit (bank), rentabiliteit (investeerder) en per aandeel en rendement (belegger). Syllabus 32 en 32.2.
Fietsenwinkel, De Ruyterkade, Amsterdam, 2010 (foto: Fons Heijnsbroek, CC0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Kengetallen voor derden
Kengetallen zijn verhoudingsgetallen uit de balans en de resultatenrekening, als ratio of percentage.
Stakeholders (belanghebbenden) beoordelen er de onderneming mee: een bank, een belegger of een investeerder.
Bank: kan de bv betalen? Belegger: wat levert een aandeel op? Investeerder: wat levert het vermogen op?
Ons voorbeeld is Fietshuis Yilmaz bv, met de balansen van eind 2025 en eind 2026.
Syllabus 32 (besluitvorming vanuit het perspectief van derden, bijvoorbeeld beleggers, banken en investeerders) en 32.2. Fietshuis Yilmaz bv, bedragen in euro's, belasting laten we buiten beschouwing. Balans eind 2025: vaste activa 400.000; voorraad 300.000; debiteuren 60.000; liquide middelen 140.000; EV 450.000; lang VV 250.000; kort VV 200.000; totaal 900.000. Balans eind 2026: vaste activa 460.000; voorraad 380.000; debiteuren 50.000; liquide middelen 60.000; EV 500.000; lang VV 200.000; kort VV 250.000; totaal 950.000. Resultaat 2026: 50.000, interestkosten 27.000, afschrijving 30.000, 10.000 aandelen. Veelgemaakte fout: kengetallen als doel zien; ze zijn een hulpmiddel om een oordeel te onderbouwen. Image credit: Fons Heijnsbroek / Wikimedia Commons, CC0
Magazijn met palletstellingen, 2007 (foto: Axisadman, CC BY-SA 3.0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Current en quick ratio
Liquiditeit: kan de organisatie op korte termijn haar schulden betalen?
current ratio = vlottende activa : kort vreemd vermogen
quick ratio = (vlottende activa min voorraden) : kort vreemd vermogen
Bijlage 4: niet gegeven in het examen. De quick ratio laat voorraad weg, dus strenger.
Syllabus 32.2: liquiditeitsratio's (current ratio, quick ratio). Voorraad is niet snel in geld om te zetten, daarom telt de quick ratio die niet mee. Veelgemaakte fout: de voorraad niet aftrekken bij de quick ratio, of delen door het totaal vreemd vermogen in plaats van het korte vreemd vermogen. Image credit: Axisadman / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Solvabiliteit: EV, VV en TV
Solvabiliteit: kan de organisatie op lange termijn haar schulden betalen? Het gaat om EV, VV en TV (totaal vermogen).
Elk verhoudingsgetal tussen EV, VV en TV is een solvabiliteitsratio: EV : VV, EV : TV x 100% of VV : TV x 100%.
Hoe groter het aandeel EV in het totaal vermogen, hoe groter de buffer voor schuldeisers.
Lees de ratio af die de vraag noemt, en neem EV, VV en TV van dezelfde balans.
Bijlage 4: niet in het examen gegeven, dus uit je hoofd leren.
Syllabus 32.2: solvabiliteitsratio's, elk verhoudingsgetal tussen EV/VV/TV. TV = EV + VV. Bijlage 4 (vwo-kolom) noemt alleen: solvabiliteit is elk verhoudingsgetal tussen EV/VV/TV, dus EV : VV, EV : TV en VV : TV horen er allemaal bij. Het verband met faillissementsrisico staat in de les Vermogensstructuur en hefboomwerking. Veelgemaakte fout: de noemer vergeten op te tellen (TV = EV + VV) en EV : VV met EV : TV verwisselen.
Vlottende activa € 240.000 (voorraad € 90.000), kort VV € 150.000. Quick ratio?
1,60
1,00
0,60
2,67
Syllabus 32.2. Quick ratio = (240.000 - 90.000) : 150.000 = 1,00. Fout 1,60 is de current ratio (voorraad niet afgetrokken), 0,60 is voorraad : kort VV, 2,67 is vlottende activa : voorraad.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Rentabiliteit: REV, RTV, IVV
Rentabiliteit: hoeveel levert het vermogen op? Je rekent met het gemiddelde vermogen: (begin + eind) : 2.
REV = resultaat : gemiddeld eigen vermogen x 100%
RTV = (resultaat + interestkosten) : gemiddeld totaal vermogen x 100%
IVV = interestkosten : gemiddeld vreemd vermogen x 100%: wat het geleende geld de organisatie kost.
Bijlage 4: niet in het examen gegeven, dus uit je hoofd leren.
Syllabus 32.2: rentabiliteitsratio's REV, RTV en IVV (Bijlage 4). RTV telt de interest bij het resultaat op omdat het totaal vermogen ook met vreemd vermogen is gefinancierd: de beloning van beide verschaffers staat in de teller. Belasting laten we in de voorbeelden buiten beschouwing. Veelgemaakte fout: het eindvermogen gebruiken in plaats van het gemiddelde, of de interest vergeten bij de RTV.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Voorbeeld rentabiliteit 2026
Fietshuis 2026: resultaat € 50.000, interestkosten € 27.000. Gemiddeld EV € 475.000, VV € 450.000, TV € 925.000.
REV = 50.000 : 475.000 x 100% = 10,5%
RTV = (50.000 + 27.000) : 925.000 x 100% = 8,3%
IVV = 27.000 : 450.000 x 100% = 6,0%
RTV en IVV liggen 2,3 procentpunt uit elkaar: een verschil tussen twee percentages is geen procent maar procentpunt.
Syllabus 32.2. Gemiddeld EV = (450.000 + 500.000) : 2 = 475.000. Gemiddeld VV = (450.000 + 450.000) : 2 = 450.000 (2025: lang 250.000 + kort 200.000; 2026: lang 200.000 + kort 250.000). Gemiddeld TV = (900.000 + 950.000) : 2 = 925.000. RTV is 8,32%, IVV is 6,0%, verschil 2,3 procentpunt (niet 2,3%). Veelgemaakte fout: procent en procentpunt door elkaar halen.
Kassa's in een winkel, Chiba (Japan), 2020 (foto: Ka23 13, CC BY-SA 4.0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Per aandeel en cashflow
Resultaat per aandeel = resultaat : aantal aandelen. Fietshuis: € 50.000 : 10.000 = € 5,00.
Cashflow = resultaat + afschrijvingen: afschrijving is een kostenpost zonder uitgave, die komt erbij.
Cashflow per aandeel = cashflow : aantal aandelen. Afschrijving € 30.000: € 80.000 : 10.000 = € 8,00.
Bijlage 4 geeft de formule voor cashflow; per aandeel deel je zelf door het aantal aandelen.
Syllabus 32.2: rentabiliteitsratio's resultaat per aandeel en cashflow per aandeel; cashflow = resultaat + afschrijvingen (Bijlage 4). Fietshuis: resultaat 50.000, afschrijving 30.000, cashflow 80.000, 10.000 aandelen. Veelgemaakte fout: de cashflow delen door het eigen vermogen, of de afschrijving aftrekken in plaats van erbij tellen. Image credit: Ka23 13 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Vul in
De RTV deelt het resultaat plus de interestkosten door het gemiddeld totaal vermogen; de IVV deelt de interestkosten door het gemiddeld vreemd vermogen van de organisatie.
Syllabus 32.2. Veelgemaakte fout: REV en RTV verwisselen; de REV gebruikt alleen het resultaat en het gemiddeld eigen vermogen.
Resultaat € 36.000; EV begin € 280.000, eind € 320.000. Wat is de REV?
12,0%
11,3%
12,9%
6,0%
Syllabus 32.2. Gemiddeld EV = (280.000 + 320.000) : 2 = 300.000. REV = 36.000 : 300.000 x 100% = 12,0%. Fout 11,3% gebruikt het eind-EV, 12,9% het begin-EV, 6,0% telt begin en eind op zonder te delen door 2.
Dividendbonnen (coupons) van een aandeel, Frankrijk, 1939 (publiek domein)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Voor de belegger
Dividendrendement = dividend per aandeel : gemiddelde beurskoers x 100%
Dividend € 1,20 en gemiddelde koers € 30: 1,20 : 30 x 100% = 4,0%. Koerswinst telt niet mee.
Beleggersrendement = (opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen x 100%
Gemiddeld € 10.000 belegd, € 300 dividend, € 500 koerswinst: 800 : 10.000 = 8,0%. Bijlage 4: niet gegeven.
Syllabus 32.2 en begrippen 32: dividendrendement en beleggersrendement (Bijlage 4: opbrengst en koersresultaat van de belegging in een jaar, gedeeld door het gemiddeld belegde vermogen in dat jaar). De opbrengst is hier het dividend. Het koersresultaat kan ook negatief zijn. Veelgemaakte fout: de koerswinst meetellen bij het dividendrendement. Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Hefboom en interestmarge
Interestmarge = RTV min IVV, uitgedrukt in procentpunten: wat levert het geleende geld méér op dan het kost?
Hefboomwerking: is de RTV hoger dan de IVV, dan stijgt de REV door meer VV; is de RTV lager, dan daalt de REV.
Hefboomformule (Bijlage 4, voor belasting): REV = RTV + (RTV min IVV) x VV : EV.
Fietshuis: marge 8,3 min 6,0 = 2,3 procentpunt. REV = 8,3% + 2,3 x (450.000 : 475.000) = 10,5%.
Pas op: meer VV geeft ook meer risico; bij een negatieve marge werkt de hefboom tegen je.
Syllabus begrippen 32: hefboomwerking en interestmarge; de hefboomformule staat in Bijlage 4 (REV voor belasting). Interestmarge is hier RTV min IVV, het verschil dat de formule gebruikt. Controle: 8,3243 + 2,3243 x 0,9474 = 10,53, gelijk aan de REV van de vorige dia. Het risico van meer VV staat in de les Vermogensstructuur en hefboomwerking en komt hier niet opnieuw aan bod. Veelgemaakte fout: VV : EV omdraaien (EV : VV).
RTV is 9%, IVV is 6%. Wat doet extra VV met de REV (RTV blijft 9%)?
De REV daalt: interest is een extra kostenpost
De REV blijft gelijk: de RTV verandert niet
De REV stijgt: de interestmarge is positief
De RTV stijgt mee, dus de REV blijft gelijk
Syllabus begrippen 32: hefboomwerking. Marge is 3 procentpunt, elke extra euro VV levert 3 procentpunt extra op voor de eigenaren. Veelgemaakte fout: denken dat interest altijd de REV verlaagt.
Financiële afdeling van een gemeente, Helsinki, 1913 (foto: Eric Sundström, CC BY 4.0)
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Voor- en nadelen ratio's
Voordeel: je vergelijkt jaren en bedrijven van verschillende omvang en ziet snel waar het knelt.
Voordeel: een stakeholder beoordeelt de onderneming zonder alle cijfers uit te pluizen.
Nadeel: de balans is een momentopname; waardering en afschrijving beïnvloeden de uitkomst.
Nadeel: een kengetal zegt niet waarom iets verandert, en niet-financiële informatie ontbreekt.
Syllabus 32.3: voor- en nadelen van het hanteren van kengetallen. De syllabus geeft geen vaste lijst; dit zijn de gangbare punten. De invloed van afschrijvingsperiode en waardering is het onderwerp van 30.6.2. Veelgemaakte fout: een kengetal als oordeel zien in plaats van als signaal dat om uitleg vraagt. Image credit: Eric Sundström / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Ontwikkeling analyseren
Stap 1: bereken dezelfde kengetallen voor twee opeenvolgende jaren.
Stap 2: vergelijk: stijgt of daalt elk kengetal, en met hoeveel (procentpunt, bij ratio's het verschil)?
Stap 3: zoek de oorzaak in de teller of de noemer: meer voorraad, meer VV, minder resultaat.
Stap 4: beoordeel vanuit de stakeholder: bank (liquiditeit, solvabiliteit), belegger (per aandeel), investeerder (REV, cashflow).
10% naar 12% is een stijging van 2 procentpunt, en van 20% (procent): 2 : 10.
Syllabus 32.4: aan de hand van kengetallen van twee opeenvolgende balansen en/of resultatenrekeningen de ontwikkeling analyseren op liquiditeit, solvabiliteit, rentabiliteit en cashflow, en 32 CE (perspectief van derden). Veelgemaakte fout: alleen vaststellen dat een kengetal verandert, zonder oorzaak en zonder oordeel voor de stakeholder.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Casus: Fietshuis in twee jaar
Fietshuis 2025 naar 2026: current ratio 2,50 naar 1,96; quick ratio 1,00 naar 0,44.
EV : TV steeg van 50,0% naar 52,6%. REV 9,0% naar 10,5%; RTV 8,0% naar 8,3%; IVV bleef 6,0%.
Oorzaak liquiditeit: de voorraad groeide met € 80.000 en de liquide middelen daalden met € 80.000.
Bank: korte termijn zwakker, lange termijn iets sterker. Belegger en investeerder: het rendement op het EV steeg.
Conclusie: gunstig voor het rendement; bewaak de liquiditeit, want de quick ratio is onder de 0,5 gezakt.
Syllabus 32.4. Voorraad 300.000 naar 380.000 (+80.000), liquide middelen 140.000 naar 60.000 (-80.000), debiteuren 60.000 naar 50.000, kort VV 200.000 naar 250.000. De rentabiliteitscijfers van 2025 zijn gegeven (9,0%, 8,0% en 6,0%); 2026 is op de vorige dia's berekend. Quick ratio 2026 is 0,44. Laat leerlingen per stakeholder een eigen conclusie formuleren.
Wat is een nadeel van het beoordelen van een bv met alleen kengetallen?
Je kunt jaren onderling niet vergelijken
Ze zeggen niet waarom een cijfer verandert
Ze zijn alleen te berekenen voor een nv
Ze houden geen rekening met het resultaat
Syllabus 32.3. Kengetallen laten zien dát iets verandert, niet waaróm. De afleiders zijn voordelen van kengetallen of onwaar.
Zet de analysestappen op volgorde
Syllabus 32.4. Volgorde zoals op de dia 'Ontwikkeling analyseren': eerst rekenen, dan vergelijken, dan de oorzaak, dan het oordeel.
Welk onderdeel vond je het lastigst?
Liquiditeit en solvabiliteit
REV, RTV en IVV berekenen
Hefboomwerking en interestmarge
De ontwikkeling beoordelen
Gebruik de uitslag om te kiezen welk blok je met Fietshuis nog eens doorloopt.
Welk kengetal let een bank het meest op, en waarom?
Goede antwoorden: liquiditeit (current en quick ratio) voor rente en aflossing op korte termijn, solvabiliteit (EV : TV) voor de buffer bij verlies. Een bank kijkt ook naar de IVV en de interestmarge. Gebruik ze als start van de training.
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Begrippen (1/2)
current ratio: Vlottende activa : kort vreemd vermogen: kan de organisatie op korte termijn betalen?
quick ratio: (Vlottende activa min voorraden) : kort vreemd vermogen, een strengere liquiditeitsratio.
solvabiliteitsratio: Elk verhoudingsgetal tussen EV, VV en TV, bijvoorbeeld EV : TV x 100%.
REV: Rentabiliteit van het eigen vermogen: resultaat : gemiddeld EV x 100%.
RTV: Rentabiliteit van het totaal vermogen: (resultaat + interestkosten) : gemiddeld TV x 100%.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF · VERSLAG · KENGETALLEN
Begrippen (2/2)
IVV: Interestkosten van het vreemd vermogen: interestkosten : gemiddeld VV x 100%.
resultaat en cashflow per aandeel: Resultaat (of cashflow = resultaat + afschrijvingen) gedeeld door het aantal aandelen.
dividendrendement: Dividend per aandeel : gemiddelde beurskoers x 100%.
beleggersrendement: (Opbrengst + koersresultaat) : gemiddeld belegd vermogen in dat jaar x 100%.
hefboomwerking en interestmarge: Extra VV verhoogt de REV als de RTV hoger is dan de IVV; de marge is RTV min IVV.
Cet élément n'a pas d'instructions