Surplus en doelmatigheid (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID

Quiz

Terugblik: Surplus en doelmatigheid

1 / 14
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 14 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz met elf vragen over de surplussen, doelmatigheid, Pareto-efficiëntie, het verloren surplus bij marktmacht en prijsdiscriminatie.

Éléments de cette leçon

MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID

Quiz

Terugblik: Surplus en doelmatigheid

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Rob Croes / Anefo (Nationaal Archief) / Wikimedia Commons, CC0

Wanneer heeft een vrager die koopt geen consumentensurplus?

A

Zijn betalingsbereidheid ligt 2 euro boven de marktprijs

B

Hij koopt het goed voor de laagste prijs van de markt

C

Zijn betalingsbereidheid is gelijk aan de marktprijs

D

Hij koopt meer eenheden dan hij nodig heeft

Consumentensurplus is betalingsbereidheid min marktprijs; bij gelijke bedragen is het nul.

Vul in

Door marktmacht daalt het totaal surplus: de Harberger-driehoek laat zien hoeveel surplus verloren gaat.

marktmacht
Harberger-driehoek
prijsdiscriminatie
Pareto-efficiënt

Marktmacht verkleint het totaal surplus; de Harberger-driehoek (deadweight loss) is het verloren deel.

Welke situatie is een voorbeeld van prijsdiscriminatie?

A

Een taxi rekent meer voor een langere rit

B

Dezelfde film kost studenten 6 en anderen 9 euro

C

Een bakker en een slager vragen andere prijzen

D

Een supermarkt verhoogt na hogere inkoop alle prijzen

Eén aanbieder, hetzelfde product, verschillende prijzen voor verschillende vragers. De taxirit verschilt in kosten, de andere voorbeelden hebben twee aanbieders of een prijs voor iedereen.

Welke uitspraak over een Pareto-efficiënte uitkomst klopt?

A

Alle partijen houden evenveel surplus over

B

Het consumentensurplus is zo groot mogelijk

C

De prijs is zo laag mogelijk voor vragers

D

De verdeling van het surplus kan zeer ongelijk zijn

Pareto-efficiëntie zegt iets over de grootte van het totaal surplus, niet over de verdeling.

Evenwicht Q = 30. Totaal surplus, laag naar hoog

1

Verhandelde hoeveelheid 25

2

Verhandelde hoeveelheid 10

3

Verhandelde hoeveelheid 30

4

Verhandelde hoeveelheid 20

Het totaal surplus stijgt tot het evenwicht. In het lopende voorbeeld: Q = 10 geeft 50, Q = 20 geeft 80, Q = 25 geeft 87,5 en Q = 30 geeft 90.

De prijs stijgt van 9 naar 11 euro bij 40 eenheden. Surplus naar de aanbieder?

A

40 euro

B

360 euro

C

440 euro

D

80 euro

De rechthoek: 40 x (11 - 9) = 80. Verwachte fouten: de driehoek (40), basis x oude prijs (360) of basis x nieuwe prijs (440).

Totaal surplus daalt door marktmacht van 200 naar 180. Hoeveel procent is verloren?

A

20%

B

10%

C

5%

D

90%

Verlies 20 : 200 x 100 = 10%. Verwachte fouten: het verlies zelf als percentage opvatten (20), of 180 : 200 = 90% als verlies lezen.

Waarom is de Harberger-driehoek een verlies voor de samenleving?

A

Aanbieders maken minder winst dan bij concurrentie

B

De hogere prijs verdwijnt uit de economie

C

Eenheden die meer opleveren dan ze kosten, komen er niet

D

Vragers kopen meer dan ze eigenlijk willen

Bij marktmacht worden eenheden niet gemaakt waarvan de betalingsbereidheid boven de kosten ligt. De hogere prijs is een overdracht naar de aanbieder, geen verlies.

Wat geeft de Harberger-driehoek aan?

Goed antwoord: het verloren surplus (deadweight loss) door marktmacht, dus de daling van het totaal surplus. Verwachte fout: zeggen dat het de winst van de monopolist is.

Welke oppervlakte in de grafiek is het producentensurplus?

A

Tussen marktprijs en aanbodlijn, tot de verhandelde Q

B

Tussen marktprijs en vraaglijn, tot de verhandelde Q

C

Tussen vraaglijn en aanbodlijn, tot de verhandelde Q

D

Onder de aanbodlijn, tot de verhandelde Q

PS is de driehoek boven de aanbodlijn en onder de marktprijs. Tussen vraaglijn en aanbodlijn is het totaal surplus, onder de aanbodlijn zijn de kosten.

Welke maatstaf gebruik je voor economische doelmatigheid?

A

De hoogte van de marktprijs

B

De omvang van het totaal surplus

C

De winst van de aanbieders

D

Het consumentensurplus alleen

Doelmatigheid wordt gemeten met de omvang van het totaal surplus.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID

Goed gedaan!

Je kunt nu surplus berekenen, doelmatigheid beoordelen en de gevolgen van marktmacht uitleggen.

Cet élément n'a pas d'instructions