MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Surplus en doelmatigheid
Examenstof economie vwo
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Surplus en doelmatigheid
Examenstof economie vwo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D3.1-3.8. Image credit: Rob Croes / Anefo (Nationaal Archief) / Wikimedia Commons, CC0
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan consumenten- en producentensurplus berekenen in een grafiek, het totaal surplus als maat voor doelmatigheid gebruiken en de gevolgen van marktmacht voor omvang en verdeling beschrijven.
Cet élément n'a pas d'instructions
Welke woorden komen bij je op bij: wat een koper en een verkoper overhouden aan een ruil?
Verwacht: voordeel, korting, winst, betalingsbereidheid, prijs, blij, afromen. Groepeer in een woordweb rond drie kanten: de vrager, de aanbieder en de markt als geheel. Laat leerlingen vertellen wanneer zij ooit minder betaalden dan ze bereid waren te betalen.
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Veilingzaal van de bloemenveiling in Aalsmeer, met de veilingklokken
Consumentensurplus
Consumentensurplus (CS): betalingsbereidheid min marktprijs, voor vragers die meer zouden betalen.
Betalingsbereidheid 10 euro en marktprijs 7 euro: het CS van die vrager is 3 euro.
Elke eenheid heeft een eigen vrager met een eigen betalingsbereidheid: zo ontstaat de vraaglijn.
In de grafiek is het CS de driehoek onder de vraaglijn en boven de marktprijs.
Syllabus D3.1. Betalingsbereidheid kennen de leerlingen uit vraag en elasticiteit. Op een klokveiling zie je het in actie: de koper die de klok stopt, betaalt de klokprijs, terwijl zijn betalingsbereidheid vaak hoger was. Veelgemaakte fout: het CS gelijkstellen aan de prijs die de vrager betaalt, of aan zijn betalingsbereidheid. Het CS is het verschil. Image credit: Rob Croes / Anefo (Nationaal Archief) / Wikimedia Commons, CC0
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Producentensurplus
Producentensurplus (PS): marktprijs min de prijs waartegen producenten bereid zijn aan te bieden.
De laagste prijs waartegen een aanbieder een eenheid wil leveren, lees je af op de aanbodlijn.
Wil een aanbieder een eenheid vanaf 4 euro leveren en is de marktprijs 7 euro, dan is zijn PS 3 euro.
In de grafiek is het PS de driehoek boven de aanbodlijn en onder de marktprijs.
Alleen eenheden die de aanbieder tegen de marktprijs wil leveren, tellen mee.
Syllabus D3.2. Bij volkomen concurrentie is de aanbodlijn de optelling van de MK-lijnen van de aanbieders, zie aanbod en marktevenwicht. Het PS is dus een soort winst boven de marginale kosten. Veelgemaakte fout: PS en winst door elkaar halen: het PS houdt geen rekening met vaste kosten.
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Evenwicht bij P = 7 en Q = 30 met CS en PS als driehoeken
Totaal surplus in de grafiek
Het totaal surplus is het CS plus het PS.
Evenwicht E: P = 7 en Q = 30 (x 1000). Qv snijdt de prijsas bij 10, Qa bij 4.
CS = 1/2 x 30 x (10 - 7) = 45 en PS = 1/2 x 30 x (7 - 4) = 45 (x 1000 euro).
Totaal surplus = 45 + 45 = 90 (x 1000 euro).
Syllabus D3.3. Qv = -10P + 100 en Qa = 10P - 40. Controle: 100 - 70 = 30 en 10 x 7 - 40 = 30. De oppervlakte van een driehoek is 1/2 x basis x hoogte: de basis is de hoeveelheid op de horizontale as, de hoogte het prijsverschil op de verticale as. Veelgemaakte fout: het 1/2-deel vergeten (dan krijg je de rechthoek: 90 in plaats van 45). Ook: de prijs zelf als hoogte gebruiken in plaats van het prijsverschil. Dit is het lopende voorbeeld voor de hele les. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
Betalingsbereidheid 9 euro, marktprijs 6 euro. Consumentensurplus van deze vrager?
6 euro
9 euro
15 euro
3 euro
Consumentensurplus is betalingsbereidheid min marktprijs: 9 - 6 = 3. Verwachte fouten: de prijs zelf (6), de betalingsbereidheid (9) of optellen (15).
Vul in
Het totaal surplus is het consumentensurplus plus het producentensurplus, en je berekent elk surplus in de grafiek als een driehoek.
Totaal surplus is de som van beide surplussen; elk surplus is een driehoek (1/2 x basis x hoogte).
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Verlies bij te weinig (Q = 20) en te veel (Q = 40) verhandelde eenheden
Totaal surplus en doelmatigheid
De omvang van het totaal surplus is een maatstaf voor de economische doelmatigheid.
In het evenwicht (Q = 30) is het totaal surplus maximaal: 90.
Bij Q = 20 komt de volgende eenheid er niet: totaal surplus 80, dus 10 minder dan in het evenwicht.
Bij Q = 40 kosten de extra eenheden meer dan ze vragers waard zijn: totaal surplus ook 80.
Syllabus D3.4. Controle Q = 20: Qv-prijs 10 - 2 = 8 en Qa-prijs 4 + 2 = 6, driehoek 1/2 x 10 x 2 = 10, dus 90 - 10 = 80. Q = 40: Qv-prijs 6, Qa-prijs 8, driehoek 1/2 x 10 x 2 = 10, ook 80. Een eenheid die vragers meer oplevert dan ze aanbieders kost, verhoogt het totaal surplus. Veelgemaakte fout: denken dat meer produceren altijd beter is. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vilfredo Pareto (1848-1923), Italiaans econoom, op een foto uit de jaren 1870
Pareto-efficiëntie
Een uitkomst is Pareto-efficiënt als niemand beter af kan worden zonder dat een ander slechter af is.
Bij een maximaal totaal surplus is de uitkomst Pareto-efficiënt: geen enkele ruil helpt beide partijen nog.
Bij Q = 20 wil een vrager voor de 21e eenheid maximaal 7,90 betalen en kost die 6,10: ruilen helpt beiden.
Pareto-efficiënt zegt niets over eerlijkheid: ook een zeer ongelijke verdeling kan het zijn.
Syllabus D3.5. Bij de 21e eenheid: vraagprijs 10 - 2,1 = 7,90 en kosten 4 + 2,1 = 6,10. Bij een prijs ertussen, bijvoorbeeld 7 euro, wint de vrager 0,90 en de aanbieder ook 0,90: niemand is slechter af. Zo'n uitkomst is dus niet Pareto-efficiënt. Veelgemaakte fout: Pareto-efficiënt gelijkstellen aan eerlijk of aan een gelijke verdeling. Image credit: Onbekende maker / Wikimedia Commons, publiek domein
Q = 20: 21e eenheid, vrager 7,90 over, kosten 6,10. Wat klopt?
Alleen de vrager wint: de uitkomst is Pareto-efficiënt
De aanbieder verliest: de uitkomst is Pareto-efficiënt
Beiden winnen: de uitkomst is wel Pareto-efficiënt
Beiden winnen: de uitkomst is niet Pareto-efficiënt
Een prijs tussen 6,10 en 7,90 maakt vrager en aanbieder beter af, zonder dat iemand verliest. Dus is Q = 20 niet Pareto-efficiënt. Verwachte fout: denken dat een uitkomst waarin al ruil plaatsvindt, efficiënt is.
Wanneer is een uitkomst Pareto-efficiënt?
Goed antwoord: als niemand beter af kan worden zonder dat een ander slechter af is. Verwachte fout: zeggen dat iedereen evenveel krijgt.
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Spotprent uit 1904: Standard Oil als octopus met marktmacht
Marktmacht: minder afzet, hogere prijs
Een aanbieder met marktmacht bepaalt mede de prijs en beperkt daarom de afzet.
Een monopolist maximaliseert zijn winst bij MO = MK: marginale opbrengst gelijk aan marginale kosten.
Hier: Q = 20 en P = 8, afgelezen op Qv, in plaats van Q = 30 en P = 7 bij concurrentie.
Bij concurrentie is Qa de MK-lijn; de MO-lijn ligt onder de Qv.
Syllabus D3.6, voorbereiding. De winstmaximalisatie bij marktmacht staat in de les marktstructuur; hier nemen we het resultaat over. Controle: Qv: P = 10 - 0,1Q, dus MO = 10 - 0,2Q, en MK = 4 + 0,1Q. Bij Q = 20 is MO = 10 - 4 = 6 en MK = 4 + 2 = 6. De prijs lees je af op de vraaglijn: 10 - 0,1 x 20 = 8. De spotprent laat Standard Oil zien, rond 1900 de grote speler in de olieverwerking in de VS: een schoolvoorbeeld van marktmacht. Image credit: Udo Keppler / Wikimedia Commons, publiek domein
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Marktmacht: Q = 20 en P = 8, met CS, PS en het verloren surplus
Verloren surplus en verdeling
Het verloren surplus (Harberger-driehoek, deadweight loss) is hier 1/2 x 10 x 2 = 10.
Totaal surplus: 90 bij concurrentie, 80 met marktmacht. De uitkomst is minder doelmatig.
Verdeling: het CS daalt van 45 naar 20, het PS stijgt van 45 naar 60.
De rechthoek tussen P = 7 en P = 8 (20 x 1 = 20) gaat van vragers naar de aanbieder.
Syllabus D3.6 en D3.7. De Harberger-driehoek ligt tussen Q = 20 en Q = 30: hoogte 8 - 6 = 2, basis 30 - 20 = 10. Het CS bij Q = 20: 1/2 x 20 x (10 - 8) = 20. Het PS: 20 x (8 - 4) = 80 min de driehoek onder MK, 1/2 x 20 x 2 = 20, dus 60. Verdeling van het verlies: het CS verliest 25 (20 rechthoek naar het PS, 5 driehoek verloren), het PS wint 20 en verliest 5. Netto PS +15, CS -25, totaal -10. Veelgemaakte fout: de hogere prijs als verlies voor de samenleving zien: de rechthoek verschuift alleen, de driehoek verdwijnt. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vliegtuigcabine van een Airbus A320: naast elkaar, toch vaak verschillende prijzen
Prijsdiscriminatie
Bij prijsdiscriminatie vraagt een aanbieder verschillende prijzen voor hetzelfde product.
Vragers met een hoge betalingsbereidheid betalen meer: de aanbieder roomt consumentensurplus af.
Voorbeeld: een vliegmaatschappij vraagt voor dezelfde stoel meer bij last-minute boeken.
Vraagt een monopolist elke vrager zijn betalingsbereidheid, dan is al het consumentensurplus afgeroomd.
Syllabus D3.8. Het rekenkundige deel (prijzen, afzet en winst) hoort bij de les marktstructuur; hier gaat het om het effect op het surplus: een deel van het CS gaat naar de aanbieder. Voorwaarde: de aanbieder kan vragers scheiden en wederverkoop is niet mogelijk. Veelgemaakte fout: denken dat prijsdiscriminatie hetzelfde is als verschillende prijzen door verschillende kosten (een langere taxirit). Image credit: Simply Aviation / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Wat verandert er door marktmacht, vergeleken met concurrentie?
Het totaal surplus daalt en vragers krijgen meer
Het totaal surplus daalt en aanbieders krijgen meer
Het totaal surplus stijgt omdat de prijs hoger is
Het totaal surplus blijft gelijk, de verdeling verandert
Marktmacht geeft een verloren surplus en verschuift surplus naar aanbieders. Verwachte fout: denken dat een hogere prijs het surplus laat stijgen of dat alleen de verdeling verandert.
Hoe roomt prijsdiscriminatie surplus af?
Goed antwoord: vragers met een hoge betalingsbereidheid betalen een hogere prijs, waardoor een deel van hun consumentensurplus naar de aanbieder gaat. Verwachte fout: alleen zeggen dat de prijzen verschillen.
Wat vond je het lastigst in deze les?
Surplus berekenen in de grafiek
Doelmatigheid en Pareto-efficiëntie
Verloren surplus bij marktmacht
Prijsdiscriminatie en afromen
Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.
Waarom meet totaal surplus doelmatigheid?
Goed antwoord: een groter totaal surplus betekent dat meer eenheden worden gemaakt en verhandeld waarvan de waarde voor vragers hoger is dan de kosten. Verwachte fout: alleen herhalen dat het de som van CS en PS is.
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Begrippen (1/2)
consumentensurplus: Verschil tussen de betalingsbereidheid van vragers en de marktprijs.
producentensurplus: Verschil tussen de marktprijs en de prijs waartegen producenten bereid zijn aan te bieden.
totaal surplus: Consumentensurplus plus producentensurplus.
doelmatigheid: Hoe groot het totaal surplus van een economische uitkomst is.
Pareto-efficiënt: Niemand kan beter af worden zonder dat een ander slechter af is.
Cet élément n'a pas d'instructions
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Begrippen (2/2)
marktmacht: De macht van een aanbieder om de prijs te beïnvloeden en de afzet te beperken.
verloren surplus: Surplus dat door marktmacht niet meer ontstaat.
Harberger-driehoek: De driehoek in de grafiek die het verloren surplus toont.
deadweight loss: Engelse naam voor het verloren surplus.
prijsdiscriminatie: Verschillende prijzen voor hetzelfde product, waardoor consumentensurplus wordt afgeroomd.
Cet élément n'a pas d'instructions