Overheid en markten (Economie vwo), les 3: Terugblik quiz

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Quiz

Terugblik: Overheid en markten

1 / 13
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 13 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min
Signaler cette leçon

Introduction

Terugblikquiz van tien vragen over heffingen, subsidies, prijsregulering, surplusverdeling en octrooi.

Éléments de cette leçon

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Quiz

Terugblik: Overheid en markten

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Hubertl / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

De vraaglijn is steiler dan de aanbodlijn (P verticaal). Wie draagt de heffing vooral?

A

De consumenten, via een hogere prijs

B

De aanbieders, via een lagere ontvangen prijs

C

Beide partijen evenveel

D

De overheid, via lagere belastingopbrengst

De kant met de steilste lijn (minder prijselastisch) draagt het meeste. Verwachte fout: de aanbieder die de heffing afdraagt, betaalt hem ook.

Vul in

Een heffing verlaagt de verhandelde hoeveelheid; daardoor wordt het totale surplus kleiner dan zonder heffing.

heffing
verhandelde hoeveelheid
subsidie
evenwichtsprijs

Heffing: minder verhandeld, dus welvaartsverlies.

Qv = -P + 100, Qa = P en maximumprijs 40. Wat is het CS?

A

1.800

B

400

C

1.600

D

1.250

Bij 40: Qa = 40, Qv = 60; verhandeld 40, Pv(40) = 60. CS = ((100 - 40) + (60 - 40)) : 2 x 40 = 1.600. Fouten: 1.800 (driehoek tot Q = 60), 400 (alleen de driehoek) en 1.250 (CS in het evenwicht).

Je weet dat een minimumprijs boven de evenwichtsprijs ligt. Wat is dan zeker waar?

A

Het producentensurplus stijgt altijd

B

Het CS daalt en er ontstaat welvaartsverlies

C

Het totale surplus blijft gelijk, alleen verdeeld

D

De verhandelde hoeveelheid stijgt

Kopers betalen meer en kopen minder: CS daalt en er wordt minder verhandeld dan in het evenwicht: WVL. Het PS kan stijgen of dalen (bij een erg hoge minimumprijs daalt het).

Een octrooihouder heeft P = 100 - Q en MK = 20. Wat is het welvaartsverlies?

A

1.600

B

3.200

C

400

D

800

MO = 100 - 2Q = 20 geeft Q = 40 en P = 60. Bij concurrentie Q = 80. WVL = ½ x (60 - 20) x (80 - 40) = 800. Fouten: 1.600 (winst of CS), 3.200 (CS bij concurrentie), 400 (verkeerde hoogte).

Zet de gevolgen van een minimumprijs op volgorde

1

Er wordt minder verhandeld dan in het evenwicht

2

Vragers kopen minder, aanbieders bieden meer aan

3

De overheid zet de minimumprijs boven het evenwicht

4

Er ontstaat een aanbodoverschot

Ingreep, reactie van vragers en aanbieders, aanbodoverschot, gevolg voor de verhandelde hoeveelheid.

Het octrooi van een medicijn loopt af. Wat verwacht je?

A

De prijs stijgt, want het monopolie verdwijnt

B

De prijs blijft gelijk, want de vraag verandert niet

C

De hoeveelheid daalt, want de winst verdwijnt

D

Generieke aanbieders komen: lagere prijs, meer Q

Concurrentie drukt de prijs richting MK en de hoeveelheid stijgt.

Waarom daalt het PS bij een maximumprijs?

Aanbieders krijgen een lagere prijs en verkopen minder (kortste kant). Verwachte fout: alleen de lagere prijs noemen.

Welke twee grootheden vormen samen het marktresultaat?

A

Het CS en het PS

B

De prijs en de verhandelde hoeveelheid

C

De vraag en het aanbod

D

De omzet en de winst

Marktresultaat = prijs en verhandelde hoeveelheid; een ingreep verandert beide.

Bij welke ingreep ligt de verhandelde hoeveelheid boven het evenwicht?

A

Een heffing op aanbieders

B

Een maximumprijs onder het evenwicht

C

Een subsidie voor aanbieders

D

Een minimumprijs boven het evenwicht

Subsidie: Qa naar rechts, Q groter. De andere ingrepen verlagen Q.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Goed gedaan!

Je kunt nu berekenen wat heffingen, subsidies, prijsgrenzen en octrooien doen met het marktresultaat en de verdeling van het surplus.

Cet élément n'a pas d'instructions