Fietser op een bergweg (foto: David Marcu, CC0)
EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN
Quiz
Terugblik: Arbeid en vermogen
Fietser op een bergweg (foto: David Marcu, CC0)
EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN
Quiz
Terugblik: Arbeid en vermogen
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: David Marcu / Wikimedia Commons, CC0
Welke eenheid is gelijk aan 1 J?
1 N·m
1 N/m
1 kg·m/s
1 W/s
W = F·s, dus 1 J = 1 N·m. Afleiders: N/m (veerconstante), kg·m/s en W/s. Syllabus C2.1.
Je duwt 30 s lang met 2,0·10² N tegen een muur die niet beweegt. Hoeveel arbeid verricht je?
6,0·10³ J
2,0·10² J
6,7 J
0 J
s = 0, dus W = F·s = 0 J. Afleiders: F·t (6,0·10³), alleen F (2,0·10²) en F/t (6,7). Syllabus C2.1.
Vul in
Volgens Wtot = ΔEk is de totale arbeid van alle krachten gelijk aan de verandering van de kinetische energie van het voorwerp.
Syllabus C2.2: Wtot = ΔEk.
Een lamp gebruikt in 2,0 min een energie van 7,2·10³ J. Bereken het vermogen.
3,6·10³ W
6,0·10¹ W
8,6·10⁵ W
1,7·10⁻² W
t = 2,0 × 60 = 1,2·10² s. P = E/t = 7,2·10³ / 120 = 60 W. Afleiders: minuten niet omgerekend (3,6·10³), vermenigvuldigen (8,6·10⁵) en omgekeerd delen (1,7·10⁻²). Syllabus C2.1.
Een auto remt met dezelfde remkracht eerst vanaf 50 km/h, daarna vanaf 100 km/h. Hoeveel keer langer is de tweede remweg?
4 keer
2 keer
8 keer
Even lang
Fw·s = ½·m·v²: s is evenredig met v². Dubbele v geeft 4 keer zo grote remweg. Afleiders: lineair (2), te veel machten (8) en geen invloed (even lang). Syllabus C2.2.
Een elektrische rolstoel levert 3,0·10² W bij een constante snelheid van 1,5 m/s. Bereken de totale wrijvingskracht.
4,5·10² N
5,0·10⁻³ N
2,0·10² N
3,0·10² N
P = F·v, bij constante snelheid is F = Fw. Fw = P/v = 300/1,5 = 200 N = 2,0·10² N. Afleiders: P·v (4,5·10²), v/P (5,0·10⁻³) en P als kracht (3,0·10²). Syllabus C2.1.
Noem een nuttig gebruik van wrijvingsarbeid.
Goed: remmen van een auto of fiets (Ek wordt warmte), het afremmen van een trein, een lucifer aansteken. Verwachte fout: wrijving alleen als nadeel zien. Syllabus C2.2.
Zet op volgorde van klein naar groot vermogen
Alles in W: 60 W < 1,5·10² W < 2,0·10³ W < 5,0·10⁴ W. Fout: kW niet omrekenen. Syllabus C2.1.
Een kogel van 5,0·10⁻³ kg heeft 4,0·10² J kinetische energie. Bereken de snelheid.
2,8·10² m/s
4,0·10² m/s
1,6·10⁵ m/s
8,0·10⁴ m/s
Ek = ½·m·v² herleiden: v² = 2·Ek/m = 2 × 4,0·10² / 5,0·10⁻³ = 1,6·10⁵, dus v = 4,0·10² m/s. Afleiders: de 2 vergeten (2,8·10²), geen wortel getrokken (1,6·10⁵) en de 2 en de wortel vergeten (8,0·10⁴). Syllabus C2.2.
Een lift brengt 8,0·10² kg met constante snelheid in 12 s 15 m omhoog. Bereken het vermogen.
1,2·10⁵ W
1,0·10³ W
6,5·10² W
9,8·10³ W
Constante snelheid: F = Fz = 8,0·10² × 9,81 = 7848 N. W = F·s = 7848 × 15 = 1,18·10⁵ J. P = W/t = 1,18·10⁵ / 12 = 9810 W = 9,8·10³ W. Afleiders: niet door t gedeeld (1,2·10⁵), g vergeten (1,0·10³) en h vergeten (6,5·10²). Syllabus C2.1.
Een auto rijdt met constante snelheid over een vlakke weg. Wat geldt voor Wtot?
Wtot is positief, want de motor levert arbeid
Wtot is negatief door de wrijving
Wtot is gelijk aan de Ek van de auto
Wtot is nul, want ΔEk is nul
Constante snelheid: Ek verandert niet, dus Wtot = ΔEk = 0. De positieve arbeid van de motor en de negatieve wrijvingsarbeid heffen elkaar op. Syllabus C2.2.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
EXAMENSTOF · C2 · ARBEID EN VERMOGEN
Goed gedaan!
Je kunt nu arbeid, vermogen en kinetische energie berekenen en met Wtot = ΔEk de remweg en de benodigde kracht bepalen. Bekijk de vragen die je fout had nog eens in les 1.
Cet élément n'a pas d'instructions