LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Examentraining
Stad en platteland: zo pak je examenvragen aan
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Examentraining
Stad en platteland: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Apdency / Wikimedia Commons, CC0
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Wat ga je kunnen?
Ik kan vraagstukken over stad en platteland analyseren en een beargumenteerd antwoord geven.
Cet élément n'a pas d'instructions
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is de vraagstelling (geef, leg uit, beschrijf, beredeneer, beargumenteer) en wat staat er in de bron?
2. Zoek: welk begrip, welk schaalniveau en welke dimensie hoort erbij?
3. Schrijf: noem een oorzaak of belang, een gevolg en een concreet voorbeeld uit de bron.
Cet élément n'a pas d'instructions
Distributiecentrum van PostNL in de Harnaschpolder bij Den Hoorn, 2018
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Vraagtype 1: relaties op schaalniveaus
Je legt een relatie tussen een ontwikkeling in de stad en het gevolg op het land, of andersom.
Noem altijd beide schaalniveaus: bijvoorbeeld de stad en de regio.
Gebruik verbindingswoorden: doordat, waardoor, daardoor.
Image credit: Steven Lek / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Webwinkels openen distributiecentra langs snelwegen in het landelijk gebied. Wat is het gevolg?
Open landschap verdwijnt en het vrachtverkeer neemt toe
De drempelwaarde van winkels in de stad daalt
Het verzorgingsgebied van het dorp wordt kleiner
Het aantal groeikernen neemt af
Stedelijke vraag naar goederen leidt tot ruimtegebruik op het land: landschapsvervuiling en meer verkeer. De afleiders gebruiken goede begrippen, maar leggen geen relatie met de bron.
Een stad groeit snel. Leg uit welk gevolg dat heeft voor het landelijk gebied eromheen.
Goed: meer vraag naar woningen en bedrijventerreinen, dus bouw op landbouwgrond of natuur; meer verkeer; ook recreatie en energie op het land. Verwachte fout: alleen het gevolg binnen de stad noemen.
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Vraagtype 2: begrippen toepassen op een casus
In een casus gebruik je begrippen als drempelwaarde, reikwijdte, verzorgingsgebied en krimp.
Vraag je af: gaat het over aantal klanten, over afstand of over het gebied?
Koppel het begrip aan het gegeven uit de casus.
Cet élément n'a pas d'instructions
In een krimpdorp sluit de laatste supermarkt, omdat er te weinig klanten zijn. Welk begrip past?
De reikwijdte is te groot geworden
Het dorp is een groeikern geworden
De drempelwaarde wordt niet meer gehaald
De belevingseconomie is te sterk gegroeid
Te weinig klanten betekent dat de drempelwaarde niet wordt gehaald. Wie reikwijdte kiest, verwart het aantal klanten met de afstand.
Een ziekenhuis in een grote stad trekt patiënten uit een wijde regio. Welke twee begrippen horen hierbij?
Goed: grote reikwijdte en groot verzorgingsgebied (ook: grootstedelijke functie en hoge drempelwaarde). Verwachte fout: alleen voorzieningenniveau noemen, dat is te algemeen.
Zonnepark op Ameland, 2019
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Vraagtype 3: belangen afwegen en beargumenteren
Bij een plan staan belangen tegenover elkaar: bewoners, ondernemers, gemeente, natuur, klimaat.
Gebruik dimensies: economie, natuur, sociaal-cultureel, politiek, demografie.
Beargumenteer: noem een standpunt, een argument en een tegenargument of voorbehoud.
Image credit: QueenBarenziah / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
Een gemeente wil een groot zonnepark op landbouwgrond. Welk argument tegen is vanuit de natuur?
Het park levert werk op voor lokale ondernemers
Landbouwgrond en landschap gaan verloren voor energie
Het park draagt bij aan de energietransitie
De stad krijgt duurzame stroom
De drie afleiders zijn voordelen. Let op de vraagstelling: argument tegen, vanuit de natuur of het landschap.
Beargumenteer of een windpark bij een dorp moet komen. Gebruik twee belangen.
Goed: een standpunt met bijvoorbeeld energietransitie en inkomsten voor het dorp tegenover uitzicht, geluid en natuur, plus een voorbehoud zoals inspraak van omwonenden. Verwachte fout: alleen een mening zonder belangen of dimensies.
Woningen in de Vinex-locatie Waalsprong bij Nijmegen, 2018
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Vraagtype 4: beleid en ruimtelijke ordening
Je herkent beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Je verbindt beleid met het gevolg in de ruimte: groeikernen, Vinex-wijken of transformatie.
Let op het schaalniveau van de maatregel en wie er profiteert.
Image credit: Fantaglobe11 / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Wat is een kenmerk van Vinex-wijken, zoals Waalsprong bij Nijmegen?
Herinrichting van een oud industrieterrein
Een nieuwe stad ver van bestaande steden
Alleen sociale huurwoningen in het centrum
Nieuwbouw aan de rand van een bestaande stad
Vinex-wijken liggen aan de stadsrand. Afleider 1 is transformatie, afleider 2 een groeikern.
Noem een gevolg van een bestemmingsplan voor boeren in het buitengebied.
Goed: het plan bepaalt welke bouw en welk gebruik is toegestaan, bijvoorbeeld wel of geen nieuwbouw, woningbouw of zonneparken op hun grond. Verwachte fout: het bestemmingsplan met de Nationale Omgevingsvisie verwarren.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Relaties op schaalniveaus
Begrippen toepassen op een casus
Belangen afwegen
Beleid en ruimtelijke ordening
Cet élément n'a pas d'instructions
LEEFOMGEVING · STAD EN LAND
Tips voor op het examen
Noem bij een relatievraag altijd beide kanten: de stad en het landelijk gebied.
Gebruik het begrip uit de vraag letterlijk, en leg het uit met de casus.
Bij beargumenteren: standpunt, argument, tegenargument. Kies je niet, dan krijg je geen punten.
Cet élément n'a pas d'instructions