Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Examentraining
Argumentatieschema's: zo pak je examenvragen aan
Een lezer met een krant aan zee, Tarquinia Lido (Italië), 2007
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Examentraining
Argumentatieschema's: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Roberto Ferrari / Wikimedia Commons, CC BY-SA 2.0
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Wat ga je kunnen?
Ik kan bij een examenvraag het argumentatieschema benoemen en mijn antwoord met de tekst onderbouwen.
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees de vraag: over welke alinea of zin gaat het? Zoek eerst het standpunt.
2. Zoek het argument: wat zegt de schrijver om dat standpunt te ondersteunen?
3. Vraag wat het argument doet: noemt het gevolgen, kenmerken, voorbeelden, een vergelijking of een deskundige?
4. Controleer: past het standpunt bij het schema (wat moet, wat waarschijnlijk is, wat in het algemeen geldt)?
Cet élément n'a pas d'instructions
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Vraagtype 1: schema benoemen (meerkeuze)
Dit vraagtype geeft een alinea of zin en vraagt welk schema de schrijver gebruikt
Zoek eerst het standpunt, bepaal dan wat het argument over dat standpunt zegt
Let op afleiders die lijken te passen: meerdere schema's noemen gevolgen of gevallen
Op het examen staat de naam van het schema in de antwoorden. Laat leerlingen bij elke afleider zeggen waarom die niet past.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Tekst 3: De kantine
(1) De kantine van onze school zou alleen nog gezonde tussendoortjes moeten verkopen. Leerlingen die fruit en brood eten in plaats van snoep, houden het tijdens de lessen langer vol. Bovendien blijft het schoolplein schoner, want er ligt minder afval van verpakkingen.
(2) Sommige leerlingen vrezen dat ze zonder snoep niet meer naar de kantine komen. Dat valt mee: leerlingen wennen snel aan een kantine zonder snoep. Op de scholen in Zeewijk, Holtdorp en Maarland verdween de snoepautomaat, en overal wende iedereen er snel aan.
(3) Diëtist Ilona Verbeek, die scholen adviseert over voeding, zegt dat leerlingen zich beter concentreren met een gevarieerde lunch. Haar advies is dan ook om de snoepautomaat weg te halen.
Eigen tekst voor Examenstof
Hoofdtekst bij vraagtype 1 (ongeveer 150 woorden). Alinea 1 gebruikt voor- en nadelen, alinea 2 voorbeelden, alinea 3 autoriteit. Personen en plaatsen zijn verzonnen.
Welk schema onderbouwt het standpunt in alinea 1?
Leerlingen die fruit en brood eten in plaats van snoep, houden het tijdens de lessen langer vol.
oorzaak en gevolg
kenmerk of eigenschap
autoriteit
voor- en nadelen
Het standpunt is een voorstel (moeten verkopen). De argumenten noemen voordelen van die actie: leerlingen houden het langer vol en het plein blijft schoner. Verwachte fout: oorzaak en gevolg, omdat er gevolgen worden genoemd.
Welk schema gebruikt de schrijver in alinea 2?
Op de scholen in Zeewijk, Holtdorp en Maarland verdween de snoepautomaat, en overal wende iedereen er snel aan.
vergelijking
oorzaak en gevolg
autoriteit
voorbeelden
Drie scholen worden genoemd om te laten zien dat leerlingen in het algemeen snel wennen. Dat is een voorbeeldschema. Verwachte fout: vergelijking, omdat andere scholen met de eigen school worden vergeleken. Bij een vergelijking staan precies twee situaties tegenover elkaar.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Vraagtype 2: schema uitleggen (open vraag)
Bij een open vraag noem je het schema en leg je in een zin uit waaraan je het herkent
Verwijs naar de tekst: wat is het standpunt en wat zegt het argument?
Een goed antwoord heeft twee punten: de juiste naam en de juiste uitleg
In het examen krijgt een open vraag meestal 1 of 2 punten. Zonder uitleg uit de tekst kan een punt verloren gaan.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Tekst 4: Energiedrank
(1) De supermarkt naast onze school zou geen energiedrank meer moeten verkopen aan leerlingen. Wie 's middags een groot blik drinkt, ligt 's avonds langer wakker. En wie slecht slaapt, presteert de dag erna minder goed.
(2) Een supermarkt verkoopt ook geen sigaretten of alcohol aan kinderen. Dan hoort energiedrank daar evenmin thuis.
(3) Dat zoveel leerlingen energiedrank kopen, komt doordat het overal wordt aangeprezen. Er zijn reclames op sociale media en bij de kassa ligt het blikje vaak in de aanbieding.
Eigen tekst voor Examenstof
Hoofdtekst bij vraagtype 2 (ongeveer 100 woorden). Alinea 1 gebruikt voor- en nadelen, alinea 2 vergelijking, alinea 3 oorzaak en gevolg.
Welk schema gebruikt alinea 2? Leg kort uit.
Modelantwoord (2 punten): vergelijking (1 punt). Uitleg: de schrijver vergelijkt de verkoop van energiedrank met de verkoop van sigaretten en alcohol; wat daar niet gepast is, is hier ook niet gepast (1 punt). Verwachte fout: voor- en nadelen noemen omdat het standpunt een voorstel is.
Waarom past oorzaak en gevolg bij alinea 3?
Modelantwoord (2 punten): het standpunt in alinea 3 is geen voorstel maar een bewering over waarom leerlingen zoveel energiedrank kopen (1 punt). Het argument noemt oorzaken, namelijk de reclames en de aanbiedingen (1 punt). Verwachte fout: alleen zeggen dat er oorzaken genoemd worden zonder naar het standpunt te kijken.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Vraagtype 3: bewering en volgorde
Een beweringenvraag geeft vier uitspraken over een alinea: kies de juiste
Een ordeningsvraag vraagt de schema's in de volgorde van de tekst
Loop de alinea's na en bepaal per alinea eerst het standpunt en het argument
Bij een beweringenvraag moet je elke optie aan de tekst toetsen. Laat leerlingen bij elke onjuiste bewering zeggen wat er in de tekst staat.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Tekst 5: Huiswerkklas
(1) Onze school zou een huiswerkklas moeten invoeren. Leerlingen die thuis weinig rust hebben, kunnen na de lessen in een stille ruimte werken. Zo maken ze hun huiswerk vaker af en houden ze 's avonds meer vrije tijd over.
(2) Onze school is een geschikte plek voor zo'n klas, want ze heeft een stille mediatheek en docenten die na de lessen toch aanwezig zijn.
(3) Pedagoog Anouk de Wit, die onderzoek doet naar leren, zegt dat leerlingen beter leren met vaste werktijden. Dat sluit aan bij het idee van een huiswerkklas.
(4) Sommige ouders vinden dat leerlingen te lang op school blijven. Een training na school vindt niemand te lang, dus een uurtje huiswerk ook niet.
Eigen tekst voor Examenstof
Hoofdtekst bij vraagtype 3. Alinea 1 gebruikt voor- en nadelen, alinea 2 kenmerk of eigenschap, alinea 3 autoriteit, alinea 4 vergelijking. De pedagoog is verzonnen.
Welke bewering over alinea 4 klopt?
De schrijver noemt voordelen van een huiswerkklas
De schrijver vergelijkt huiswerk met een training
De schrijver geeft voorbeelden van andere scholen
De schrijver beroept zich op een deskundige
In alinea 4 worden twee situaties naast elkaar gezet: een training na school en huiswerk maken. Wat bij de ene gepast is, geldt ook voor de andere. De afleiders horen bij alinea 1, een ander schema en alinea 3.
Zet de schema's op volgorde van de alinea's
Alinea 1 voor- en nadelen, alinea 2 kenmerk of eigenschap, alinea 3 autoriteit, alinea 4 vergelijking. Verwachte fout: alinea 2 als voor- en nadelen lezen, omdat het over een huiswerkklas gaat. Het argument noemt echter kenmerken van de school.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Schema benoemen
Schema uitleggen
Bewering kiezen
Volgorde bepalen
Bespreek na de uitslag het lastigste vraagtype met een eigen voorbeeldzin.
EXAMENSTOF NEDERLANDS · ARGUMENTATIE · SCHEMA'S
Tips voor op het examen
Zoek altijd eerst het standpunt: dat bepaalt welk schema past
Een voorstel (moeten, zou moeten) hoort bij voor- en nadelen, een bewering over wat waar is bij de andere schema's
Noem bij een open vraag de naam van het schema en leg uit met een woord of zin uit de tekst
Controleer elke afleider: past hij echt bij wat het argument over het standpunt zegt?
Cet élément n'a pas d'instructions