Ecosystemen en voedselrelaties (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Examentraining

Ecosystemen en voedselrelaties: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
suivant
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 17 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Examentraining met vier vraagtypen: producent, consument of reducent aanwijzen, een voedselweb lezen, een piramide lezen en vragen over kringlopen en milieufactoren. Acht vragen, drie met een afbeelding.

Éléments de cette leçon

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Examentraining

Ecosystemen en voedselrelaties: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Klankbeeld / Wikimedia Commons, CC0

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan bij een examenvraag over een ecosysteem de juiste rol, keten, piramide of factor aanwijzen.

Cet élément n'a pas d'instructions

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: wat is het ecosysteem en welke organismen komen erin voor?

  • 2. Zoek: wie maakt zelf voedsel, wie eet en wie ruimt dood materiaal op?

  • 3. Kijk: volg de pijlen in een web van gegeten naar eter, en lees getallen in een piramide af.

  • 4. Schrijf: noem het begrip en geef er een korte reden bij.

Cet élément n'a pas d'instructions

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 1: producent, consument of reducent

  • Vraag je af: maakt het organisme zelf voedsel, eet het andere organismen of ruimt het dood materiaal op?

  • Planten zijn producenten, dieren zijn consumenten.

  • Schimmels en bacteriën die dode resten opruimen zijn reducenten.

  • Schrijf in je antwoord de rol en de reden.

Cet élément n'a pas d'instructions

Bacteriën breken dode algen in een sloot af. Wat zijn die bacteriën?

A

Reducenten

B

Producenten

C

Consumenten van algen

D

Een populatie van algen

Bacteriën die dood materiaal afbreken zijn reducenten. Verwachte fout: consument kiezen omdat de bacteriën de algen opeten.

Eik, eekhoorn en schimmel: wie is producent?

De eik is een plant en maakt zelf energierijke stoffen. De eekhoorn is consument, de schimmel reducent. Verwachte fout: de eekhoorn of de schimmel noemen.

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 2: een voedselweb lezen

  • De pijl wijst van het organisme dat wordt gegeten naar de eter.

  • Zoek eerst de producent: dat is waar de ketens beginnen.

  • Volg de pijlen en tel welke dieren van elkaar afhangen.

  • Verdwijnt een voedsel, kijk dan wie alleen dat eet.

Cet élément n'a pas d'instructions

Alle muizen verdwijnen. Welk dier houdt in dit web geen voedsel over?

A

Vos

B

Spreeuw

C

Uil

D

Konijn

De uil eet in dit web alleen muizen. De vos eet ook konijnen, de spreeuw eet sprinkhanen en het konijn eet gras. Verwachte fout: de vos kiezen. Image credit: Eigen figuur, verzonnen gegevens

Hoeveel soorten eten in dit web gras?

A

Een

B

Drie

C

Twee

D

Vier

Konijn, muis en sprinkhaan krijgen een pijl van gras. Verwachte fout: alleen het konijn tellen, of de eters van de eters meetellen. Image credit: Eigen figuur, verzonnen gegevens

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 3: een piramide lezen

  • Lees eerst de titel: gaat het om aantallen of om biomassa?

  • Lees het getal bij elke schakel af.

  • Reken met de getallen in de vraag, bijvoorbeeld hoeveel keer zoveel.

  • Zet de eenheid erbij, zoals kg.

Cet élément n'a pas d'instructions

Hoeveel sprinkhanen zijn er per kikker?

A

10

B

40

C

800

D

20

800 sprinkhanen : 40 kikkers = 20 sprinkhanen per kikker. Verwachte fout: 40 kiezen, het aantal kikkers. Image credit: Eigen figuur, verzonnen gegevens

Piramide van biomassa: 1000 kg gras, 100 kg sprinkhanen. Wat klopt?

A

Er is 100 keer zoveel gras als sprinkhanen

B

Er zijn 10 keer zoveel sprinkhanen als gras

C

Gras en sprinkhanen wegen evenveel

D

Er is 10 keer zoveel gras als sprinkhanen

1000 : 100 = 10. Verwachte fout: het getal 100 als verhouding gebruiken of de volgorde omdraaien.

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Vraagtype 4: kringlopen en milieufactoren

  • Bij een kringloop vraag je: welke stof gaat waar naartoe, en wie doet dat?

  • Fotosynthese neemt CO2 op, verbranding geeft CO2 af.

  • Bij factoren: is het levend (biotisch) of niet-levend (abiotisch)?

  • Leg uit wat een verandering doet met de aantallen.

Cet élément n'a pas d'instructions

Het is lang droog en er groeit weinig gras. Wat gebeurt er met de konijnen?

A

Hun aantal wordt groter, want ze eten minder

B

Hun aantal wordt kleiner, want er is minder voedsel

C

Hun aantal blijft gelijk, want gras is niet nodig

D

Hun aantal wordt groter, want er is minder water

Minder gras betekent minder voedsel en dus minder konijnen. Een abiotische factor (droogte) werkt door op een populatie. Verwachte fout: denken dat de aantallen niet veranderen.

Waarvoor hebben planten stikstof uit de bodem nodig?

A

Om glucose te maken met licht

B

Om warmte te maken

C

Om eiwitten te maken

D

Om koolstofdioxide op te nemen

Stikstof zit in eiwitten. Glucose maken planten van CO2 en water. Alleen voor GT (VG en VT). Verwachte fout: glucose kiezen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Producent, consument of reducent

2

Een voedselweb lezen

3

Een piramide lezen

4

Kringlopen en milieufactoren

Gebruik de uitslag om het vraagtype te herhalen dat de meeste leerlingen kiezen.

SAMENHANG · ECOSYSTEMEN

Tips voor op het examen

  • Zoek in elke casus eerst de producent: daar begint de keten.

  • De pijl in een voedselweb wijst naar de eter.

  • Zie je getallen? Reken twee keer na en zet de eenheid erbij.

  • Vragen over aantallen: bedenk wie wie eet en wat er wegvalt.

Cet élément n'a pas d'instructions