Overheid en markten (Economie vwo), les 1: Uitleg

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Overheid en markten

Examenstof economie vwo

1 / 22
suivant
Slide 1: Slide
newEditorEconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

Cette leçon contient 22 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min
Signaler cette leçon

Introduction

Uitleg van heffing, subsidie, maximumprijs, minimumprijs en octrooi: nieuw marktresultaat, surplusverdeling en welvaartsverlies met rekenvoorbeelden en eigen grafieken.

Éléments de cette leçon

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Overheid en markten

Examenstof economie vwo

Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: D3.9-3.11 (3.9, 3.10, 3.11), A2, A3. Image credit: Hubertl / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan berekenen en uitleggen wat heffingen, subsidies, minimum- en maximumprijzen en octrooien doen met het marktresultaat en de verdeling van het surplus.

Cet élément n'a pas d'instructions

Welke woorden komen bij je op bij: de overheid grijpt in op een markt?

Verwacht: belasting, accijns, subsidie, huurprijs, minimumloon, octrooi, verbod. Groepeer: prijs beïnvloeden (min/max), per stuk bijbetalen of afdragen (heffing/subsidie) en recht op een uitvinding (octrooi). Zo ontstaan de drie blokken.

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Heffing 6 per ticket: Qa verschuift omhoog, E wordt E1

Heffing: nieuw marktresultaat

  • Een heffing verschuift Qa naar links; daarmee verandert het marktresultaat (prijs en hoeveelheid).

  • Vliegtickets (Q x 1.000): Qv = -10P + 400 en Qa = 20P - 200 geven P = 20 en Q = 200.

  • Heffing t = 6: Qa = 20(P - 6) - 200 = 20P - 320. Dan P = 24 en Q = 160.

  • Consumenten betalen 24 (+4), aanbieders houden 18 over (-2): de steilste lijn (P verticaal) draagt het meeste.

Syllabus D3.9: De invloed van overheidsingrijpen via heffingen of subsidies op het marktresultaat en daardoor op de omvang en de verdeling van het totale surplus. Hoe een heffing de aanbodlijn verschuift (P - t in Qa) staat in de les Aanbod en marktevenwicht en wordt hier niet opnieuw uitgelegd. Controle: 400 - 10P = 20P - 320 geeft 720 = 30P, dus P = 24 en Q = 400 - 240 = 160; Qa(24) = 480 - 320 = 160. Aanbieders houden 24 - 6 = 18 over. De consument draagt 4 van de 6 omdat de vraaglijn (met P verticaal: Pv = 40 - 0,1Q) steiler is dan de aanbodlijn (Pa = 10 + 0,05Q); dat is de minder prijselastische kant. Dit is een modelmatige verdeling: wie de heffing wettelijk afdraagt maakt niets uit. Veelgemaakte fout: denken dat de aanbieder de hele heffing betaalt omdat hij hem afdraagt. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Surplus bij de heffing: CS, PS, heffing (overheid) en WVL

Surplus bij een heffing

  • Eerst consumentensurplus (CS) 2.000 en producentensurplus (PS) 1.000: totale surplus 3.000.

  • Daarna: CS = ½ x 16 x 160 = 1.280 en PS = ½ x 8 x 160 = 640.

  • Belastingopbrengst = t x verhandelde hoeveelheid = 6 x 160 = 960: surplus voor de overheid (paars).

  • Totaal 2.880. Het welvaartsverlies (WVL) is 3.000 - 2.880 = 120 = ½ x 6 x 40 (rood).

Syllabus D3.9 en vaardigheid A2 (oppervlaktes arceren en berekenen, alleen driehoek en rechthoek). Definities van CS, PS, totaal surplus en de Harberger-driehoek staan in de les Surplus en doelmatigheid; hier worden ze toegepast. Controle: voor de heffing CS = ½ x (40 - 20) x 200 = 2.000 en PS = ½ x (20 - 10) x 200 = 1.000. Daarna CS = ½ x (40 - 24) x 160 = 1.280, PS = ½ x (18 - 10) x 160 = 640 (aanbieders ontvangen 18), opbrengst 6 x 160 = 960. Som 1.280 + 640 + 960 = 2.880. Het WVL is de driehoek met basis t = 6 en hoogte 200 - 160 = 40: ½ x 6 x 40 = 120. De verdeling van het surplus: consumenten -720, aanbieders -360, overheid +960, samen -120. Veelgemaakte fout: de belastingopbrengst niet meetellen als surplus, of het WVL berekenen met de verkeerde basis. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Subsidie 6 per stuk: CS, PS, subsidiebedrag en WVL

Subsidie: kosten en baten

  • Een subsidie verschuift Qa naar rechts. Thermostaten: Qv = -5P + 300, Qa = 10P - 150: P = 30, Q = 150.

  • Subsidie s = 6: Qa = 10(P + 6) - 150 = 10P - 90. Dan P = 26 en Q = 170; aanbieders ontvangen 32.

  • Subsidiebedrag = s x verhandelde hoeveelheid = 6 x 170 = 1.020. CS 2.250 naar 2.890, PS 1.125 naar 1.445.

  • CS en PS winnen samen 960, de overheid betaalt 1.020: WVL = 60 = ½ x 6 x 20.

Syllabus D3.9. Controle: 300 - 5P = 10P - 90 geeft 390 = 15P, dus P = 26 en Q = 300 - 130 = 170; Qa(26) = 260 - 90 = 170. CS voor = ½ x (60 - 30) x 150 = 2.250, na = ½ x (60 - 26) x 170 = 2.890 (+640). PS voor = ½ x (30 - 15) x 150 = 1.125, na = ½ x (32 - 15) x 170 = 1.445 (+320). Bedragen x 1.000 euro. Het WVL is de driehoek met basis s = 6 en hoogte 170 - 150 = 20: ½ x 6 x 20 = 60. Omdat er een extra hoeveelheid wordt verhandeld waarvan de marginale kosten hoger zijn dan de betalingsbereidheid, is het totale surplus (CS + PS - subsidiebedrag) lager dan zonder subsidie. Een subsidie maakt de verdeling van het surplus gunstiger voor consumenten en producenten, maar de belastingbetaler draagt de rekening. Veelgemaakte fout: denken dat een subsidie alleen voordelen heeft. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

Je berekent het totale surplus na een heffing. Hoe behandel je de belastingopbrengst?

A

Als verlies, afgetrokken van CS en PS

B

Als overheidssurplus, opgeteld bij CS en PS

C

Als onderdeel van het producentensurplus

D

Hij telt niet mee: het geld verdwijnt

De overheid ontvangt het bedrag en kan het uitgeven: het is surplus voor de overheid. Het verlies zit alleen in het welvaartsverlies. Verwachte fout: de opbrengst als verlies zien.

Vul in

Het subsidiebedrag is de subsidie per stuk maal de verhandelde hoeveelheid; kost het meer dan CS en PS samen winnen, dan is het verschil welvaartsverlies.

subsidiebedrag
verhandelde hoeveelheid
belastingopbrengst
evenwichtsprijs

Controle van de begrippen subsidiebedrag en verhandelde hoeveelheid. Veelgemaakte fout: de oude hoeveelheid gebruiken.

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Woonwijk met flats en laagbouw in Leeuwarden: huren is vaak gereguleerd

Maximumprijs en vraagoverschot

  • Een maximumprijs onder de evenwichtsprijs geeft een vraagoverschot: Qv > Qa.

  • Kamers per maand: Qv = -P + 1.000 en Qa = 2P - 800 geven P = 600 en Q = 400.

  • Maximumprijs 540: Qv = 460 en Qa = 280, dus een vraagoverschot van 180.

  • Er wordt verhandeld wat aanbieders willen leveren: Qa = 280, de kortste kant van de markt.

Syllabus D3.10: De invloed van prijsregulering door middel van minimumprijzen of maximumprijzen op het marktresultaat en daardoor op de omvang en verdeling van het totale surplus. Controle: 1.000 - P = 2P - 800 geeft 1.800 = 3P, dus P = 600 en Q = 400. Bij 540: Qv = 1.000 - 540 = 460 en Qa = 1.080 - 800 = 280. Bij een maximumprijs boven de evenwichtsprijs gebeurt er niets (niet bindend). Voorbeeld uit de praktijk: een maximale huurprijs. Veelgemaakte fout: de gevraagde hoeveelheid (460) als verhandelde hoeveelheid zien. Image credit: A. J. van der Wal / RCE, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Maximumprijs 540: vraagoverschot 180 en WVL

Surplus bij een maximumprijs

  • Voor: CS 80.000 en PS 40.000 (euro per maand). Aanname: de kamers gaan naar wie het meest wil betalen.

  • Na: CS 89.600 en PS 19.600. De verdeling van het surplus verschuift: CS +9.600, PS -20.400.

  • WVL = ½ x 180 x 120 = 10.800 (rood): 120.000 - 109.200.

  • Bij maximumprijs 450 daalt ook het CS (50.000) en is het WVL 67.500.

Syllabus D3.10 en A2 (driehoek en rechthoek, hier een trapezium als rechthoek plus driehoek). Controle: voor de ingreep CS = ½ x (1.000 - 600) x 400 = 80.000 en PS = ½ x (600 - 400) x 400 = 40.000. Bij 540 wordt Q = 280 verhandeld; de vraaglijn geeft Pv(280) = 720 en de aanbodlijn Pa(280) = 540. CS = trapezium: ((1.000 - 540) + (720 - 540)) : 2 x 280 = 320 x 280 = 89.600; PS = ½ x (540 - 400) x 280 = 19.600. WVL = ½ x (720 - 540) x (400 - 280) = 10.800. Bij 450: Q = 2 x 450 - 800 = 100, Pv(100) = 900, CS = ((1.000 - 450) + (900 - 450)) : 2 x 100 = 50.000, PS = ½ x 50 x 100 = 2.500, WVL = ½ x 450 x 300 = 67.500. De aanname (efficiente toewijzing) geeft het grootst mogelijke CS; bij loting of wachtlijsten is het CS lager en het WVL groter. Veelgemaakte fout: de driehoek tot Q = 460 nemen in plaats van 280. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Minimumprijs 36: aanbodoverschot 72 en WVL

Minimumprijs en aanbodoverschot

  • Een minimumprijs boven de evenwichtsprijs geeft een aanbodoverschot: Qa > Qv.

  • Graan (Q x 1 miljoen): Qv = -4P + 240 en Qa = 8P - 120 geven P = 30 en Q = 120.

  • Minimumprijs 36: Qv = 96, Qa = 168: overschot 72. Verhandeld: 96. CS 1.800 naar 1.152.

  • PS 900 naar 1.440, WVL = ½ x 9 x 24 = 108. Bij minimumprijs 58 daalt het PS juist: 340.

Syllabus D3.10. Controle: 240 - 4P = 8P - 120 geeft 360 = 12P, dus P = 30 en Q = 120. Bij 36: Qv = 240 - 144 = 96 en Qa = 288 - 120 = 168. Pv(96) = 60 - 24 = 36 en Pa(96) = 15 + 12 = 27. CS = ½ x (60 - 36) x 96 = 1.152. PS = ((36 - 15) + (36 - 27)) : 2 x 96 = 15 x 96 = 1.440 (aanname: de aanbieders met de laagste kosten verkopen). WVL = ½ x (36 - 27) x (120 - 96) = 108; 2.700 - 2.592 = 108. Bij 58: Qv = 240 - 232 = 8, Pa(8) = 16, PS = ((58 - 15) + (58 - 16)) : 2 x 8 = 340. Bedragen x 1 miljoen euro. Voorbeeld uit de praktijk: minimumprijzen in de landbouw. Veelgemaakte fout: het aanbodoverschot (72) als verhandelde hoeveelheid nemen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

Vul in

Een maximumprijs onder het evenwicht geeft een vraagoverschot, een minimumprijs boven het evenwicht geeft een aanbodoverschot, en dan wordt er minder verhandeld dan in het evenwicht.

vraagoverschot
aanbodoverschot
marktresultaat
heffing

Vraagoverschot bij een maximumprijs (prijs te laag), aanbodoverschot bij een minimumprijs (prijs te hoog).

Een maximumprijs maakt kamers goedkoper. Hoe kan het CS toch dalen?

A

De vraaglijn verschuift naar links door de ingreep

B

Aanbieders vragen toch een prijs boven het maximum

C

De overheid neemt een deel van het CS als belasting

D

Veel vragers krijgen geen kamer meer

Het CS daalt als het verlies van vragers die niets krijgen groter is dan het voordeel van de lagere prijs voor wie wel een kamer krijgt (maximumprijs 450: 50.000 tegen 80.000). Verwachte fout: denken dat consumenten altijd winnen.

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Tekening bij een Amerikaans patent voor een ijssnijder uit 1829

Octrooi: tijdelijk monopolie

  • Een octrooi (ook patent) geeft de uitvinder het exclusieve recht op zijn uitvinding, maximaal 20 jaar.

  • De octrooihouder kan ontwikkelkosten (R&D) terugverdienen: innovatie wordt lonend.

  • Concurrenten mogen de uitvinding niet gebruiken: de octrooihouder heeft een tijdelijk monopolie.

  • Hij kan zijn prijs boven de marginale kosten zetten of licenties verkopen.

Syllabus D3.11: Effecten van octrooien/patenten op marktgedrag en marktresultaat. Een Nederlands octrooi geldt maximaal 20 jaar (bron: Rijksoverheid en Ondernemersplein, RVO). Octrooi en patent zijn hetzelfde recht; octrooi is de Nederlandse term, patent de Engelse. De tekening is een Amerikaans patent uit 1829. Marktgedrag: het bedrijf investeert in onderzoek en ontwikkeling, zet een prijs boven de marginale kosten en kan licenties verkopen aan andere aanbieders. Veelgemaakte fout: denken dat een octrooi voor altijd geldt. Image credit: Patent Office (VS) / Wikimedia Commons, publiek domein

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Octrooihouder (M) tegen volkomen concurrentie (C): winst en WVL

Marktresultaat met octrooi

  • Medicijn (Q x 1.000 doses): P = 90 - 0,5Q en marginale kosten (MK) = 10. Concurrentie: P = MK, Q = 160.

  • De octrooihouder kiest MO = MK: 90 - Q = 10, dus Q = 80 en P = 50 (punt M).

  • Winst = (50 - 10) x 80 = 3.200 en CS = ½ x 40 x 80 = 1.600: samen 4.800 (x 1.000 euro).

  • Bij C is het totale surplus 6.400: WVL = 1.600 (de Harberger-driehoek).

Syllabus D3.11, in combinatie met 3.6 (marktmacht en het verloren surplus, Harberger-driehoek) uit de les Surplus en doelmatigheid; MO = MK staat in de les Marktstructuur. Controle: concurrentie P = MK = 10 geeft 90 - 0,5Q = 10, dus Q = 160 en CS = ½ x 80 x 160 = 6.400. Monopolie: MO = 90 - Q (de afgeleide van TO = 90Q - 0,5Q²); 90 - Q = 10 geeft Q = 80 en P = 90 - 40 = 50. Winst (50 - 10) x 80 = 3.200 (nog zonder ontwikkelkosten), CS = ½ x (90 - 50) x 80 = 1.600. WVL = 6.400 - 4.800 = 1.600 = ½ x 40 x 80. Veelgemaakte fout: MO = P stellen. Image credit: LessonUp Studio (eigen grafiek), CC0

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Een generiek medicijn (methylprednisolon van Sandoz): kan als het octrooi is verlopen

Afweging: innovatie of lage prijs?

  • Stel dat de ontwikkelkosten 2.800 zijn. Zonder octrooi is de winst 0 en wordt het medicijn niet ontwikkeld.

  • Met octrooi: winst 3.200 - 2.800 = 400. Het surplus is 4.800 - 2.800 = 2.000 in plaats van 0.

  • Na afloop komen generieke medicijnen: concurrentie drukt de prijs naar MK en Q stijgt.

  • Langere looptijd: meer innovatie, maar langer WVL. Kortere looptijd: minder WVL, minder prikkel.

Syllabus D3.11. Vereenvoudigd model: één periode, de ontwikkelkosten zijn eenmalig. Controle: 3.200 - 2.800 = 400 winst; CS 1.600 + winst 400 = 2.000 = 4.800 - 2.800. Zonder octrooi concurreren kopieerders de prijs naar de MK; de uitvinder verdient de 2.800 niet terug. Een octrooi levert dus dynamische winst (er komt een product) tegen statisch verlies (WVL tijdens de looptijd). Veelgemaakte fout: alleen naar het WVL kijken en de innovatie vergeten. Image credit: Onbekend / Wikimedia Commons, publiek domein

Zet de loop van een octrooi op volgorde

1

Een bedrijf vindt een medicijn uit en vraagt octrooi aan

2

Het octrooi loopt af

3

Generieke aanbieders komen erbij en de prijs daalt

4

De octrooihouder rekent als monopolist een hoge prijs

Aanvraag, monopolie, afloop, concurrentie. Verwachte fout: de afloop vóór het monopolie zetten.

Waarom maakt een octrooi innoveren aantrekkelijker?

A

De overheid betaalt alle ontwikkelkosten terug

B

De concurrentie op de markt wordt juist groter

C

De marginale kosten van het medicijn dalen

D

Het bedrijf verdient de ontwikkelkosten terug

Het tijdelijke monopolie zorgt voor winst om de ontwikkelkosten uit te betalen. Verwachte fout: denken dat het octrooi de kosten verlaagt.

Wat vond je het lastigst in deze les?

1

Heffing en subsidie berekenen

2

Surplus en welvaartsverlies

3

Minimum- en maximumprijs

4

Octrooi en innovatie

Gebruik de uitkomst om de examentraining te sturen.

Welke berekening was het lastigst, en waarom?

Gebruik de antwoorden om te kiezen welk vraagtype je in de training als eerste herhaalt.

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Begrippen (1/2)

  • heffing: Bedrag per stuk dat aanbieders aan de overheid betalen: Qa naar links.

  • subsidie: Bedrag per stuk dat aanbieders van de overheid krijgen: Qa naar rechts.

  • marktresultaat: De evenwichtsprijs en de verhandelde hoeveelheid.

  • verdeling van het surplus: Hoe CS, PS en overheid het totale surplus delen.

  • minimumprijs: Wettelijke prijs boven het evenwicht: aanbodoverschot.

Cet élément n'a pas d'instructions

MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN

Begrippen (2/2)

  • maximumprijs: Wettelijke prijs onder het evenwicht: vraagoverschot.

  • aanbodoverschot: Qa is groter dan Qv bij de geldende prijs.

  • vraagoverschot: Qv is groter dan Qa bij de geldende prijs.

  • welvaartsverlies: Het verloren totale surplus: de driehoek bij een lagere hoeveelheid.

  • octrooi: Tijdelijk exclusief recht op een uitvinding (patent), maximaal 20 jaar.

Cet élément n'a pas d'instructions