Herhaling hoofdstuk 3
Geld over en te kort
Herhaling hoofdstuk 3
Geld over en te kort
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 1 Waarom sparen
Deze slide heeft geen instructies
Hoe ziet de les eruit:
Doelen
Uitleg
Opdrachten maken
Deze slide heeft geen instructies
Doelen:
Aan het einde van de les kan je uitleggen wat sparen is.
Aan het einde van de les kan je voorbeelden noemen waarom je gaat sparen.
Aan het einde van de les kan je berekeningen maken met spaargeld.
Deze slide heeft geen instructies
Wat is sparen:
Sparen: Het verschuiven van bestaande koopkracht naar de toekomst.
Koopkracht: Hoeveel je kunt kopen van je geld.
Deze slide heeft geen instructies
Waarom sparen:
Grote aankopen
Rente
Het opvangen van tegenvallers
Tegenvallers kan je opvangen met een verzekering
Fiets voorbeeld tegenvallers (fiets verzekeren)
De spaarrente is hoger bij:
Hoger rentepercentage
Hoger spaarbedrag
Langere spaarperiode
Looptijd: De tijd dat het geld bij de bank blijft staan.
Depositosparen: Sparen waarbij je het geld niet mag opnemen gedurende de looptijd.
Deze slide heeft geen instructies
Berekeningen:
Rente per jaar
Spaarbedrag : 100 x rentepercentage
Rente gedurende deel van het jaar
Rente per jaar : 12 x aantal maanden
Deze slide heeft geen instructies
Berekeningen:
Bereken hoeveel rente je per jaar krijgt bij een spaarbedrag van €1000 en een rentepercentage van 4%.
Deze slide heeft geen instructies
Berekeningen:
Bereken hoeveel rente je per jaar krijgt bij een spaarbedrag van €1000 en een rentepercentage van 4%.
€1000 : 100 x 4 = €40
Deze slide heeft geen instructies
Berekeningen:
Je krijgt 4% rente per jaar over een spaarbedrag van €1000.
Hoeveel rente krijg je als je het geld 3 maanden laat staan?
Deze slide heeft geen instructies
Berekeningen:
Je krijgt 4% rente per jaar over een spaarbedrag van €1000.
Hoeveel rente krijg je als je het geld 3 maanden laat staan?
Rente per jaar = €40
€40 : 12 x 3 = €10
Deze slide heeft geen instructies
Test jezelf paragraaf 1 maken voor morgen
Deze slide heeft geen instructies
Afsluiting:
Aan het einde van de les kan je uitleggen wat sparen is.
Aan het einde van de les kan je voorbeelden noemen waarom je gaat sparen.
Aan het einde van de les kan je berekeningen maken met spaargeld.
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 2 & 3 herhaling
Deze slide heeft geen instructies
Toets hoofdstuk 3 volgende week dinsdag (2 december)
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 2 Kopen op krediet
Deze slide heeft geen instructies
Wat is lenen:
Krediet: een lening
Lenen: Het verschuiven van toekomstige koopkracht naar het heden
Koopkracht: Hoeveel je kunt kopen van je geld
Door te lenen kan je nu meer geld uitgeven maar in de toekomst minder.
Deze slide heeft geen instructies
Waarom lenen:
Grote uitgaven
Opvangen van tegenvallers
Opvangen van een tijdelijk geldtekort
Deze slide heeft geen instructies
Wat betaal je voor een lening:
Het geleende bedrag (aflossing)
Rente over het geleende bedrag
Veel leningen worden terugbetaald in termijnen
Termijn: Het bedrag dat iemand regelmatig moet betalen
Deze slide heeft geen instructies
De te betalen rente is hoger:
Bij een hoger rentepercentage
Bij een hoger leenbedrag
Bij een langere looptijd
Looptijd: de periode waarin geld wordt geleerd of geld op een spaarrekening staat.
Deze slide heeft geen instructies
Berekening:
Totale rente:
Optelsom maandtermijnen - bedrag lening
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 3 Het budgetplan
Deze slide heeft geen instructies
Wat is een budgetplan:
Een overzicht met de verschillende budgetten van een huishouden of persoon.
Budget: een bedrag waarvan je een bepaald soort uitgaven moet doen.
Deze slide heeft geen instructies
Voorbeelden budgetten:
Dagelijkse uitgaven: vaak voorkomende uitgaven voor jezelf en voor de huishouding.
Vaste lasten: regelmatig terugkerende uitgaven.
Incidentele uitgaven: onregelmatige uitgaven voor reparaties, vervangingen of de aankoop van (duurzame) consumptiegoederen.
Deze slide heeft geen instructies
Stappen maken budgetplan:
1) Reken de gemiddelde inkomsten per maand uit.
2) Bedenk welke budgetten je wilt gebruiken.
3) Verdeel de uitgaven van meerdere maanden over deze budgetten.
4) Reken de gemiddelde uitgaven per budget uit.
5) Reken uit of je een overschot of tekort hebt.
6) Stel de budgetten vast.
Deze slide heeft geen instructies
Budgetteren:
Budgetteren: het op elkaar afstemmen van de inkomsten en uitgaven.
Bij een overschot:
kan je sparen
kan je budgetten verhogen
Bij een tekort:
kan je minder sparen
kan je budgetten verlagen
Prioriteiten stellen: Dat wat je het belangrijkste vindt.
Deze slide heeft geen instructies
Test jezelf paragraaf 2 & 3 maken voor volgende week
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 4 & 5 herhaling
Deze slide heeft geen instructies
Toets hoofdstuk 3 morgen
(2 december)
Deze slide heeft geen instructies
Hoe ziet de les eruit:
Uitleg
Opdrachten maken
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 4 Rondkomen
Deze slide heeft geen instructies
Een geldtekort kun je opvangen door:
Je spaargeld te gebruiken
Loonsverhoging
Een lening
Te bezuinigen
Tijdelijke overschotten lossen geen blijvend tekort op.
Deze slide heeft geen instructies
Nadelen lening:
Veroorzaakt hogere vaste lasten.
Vergroot financiële problemen bij een blijvend geldtekort.
Vaste lasten: Terugkerende, vaak verplichte uitgaven (huur, energie, verzekeringen)
Deze slide heeft geen instructies
Bezuinigen kan door:
Luxe artikelen niet meer te kopen
Boodschappen te doen bij goedkopere winkels
Aanbiedingen te kopen
Aankopen uit te stellen
Deze slide heeft geen instructies
Paragraaf 5 Reserveren
Deze slide heeft geen instructies
Reserveren:
Reserveren: Geld opzijleggen voor bepaalde uitgaven.
De reserves zijn een deel van het spaargeld.
Deze slide heeft geen instructies
Reserves dalen door:
De aanschaf van duurzame consumptiegoederen
Het vervangen van duurzame consumptiegoederen.
Duurzame consumptiegoederen: Goederen die voor een langere tijd meegaan.
Verbruiksgoederen: goederen die je maar 1 keer kunt gebruiken.
Deze slide heeft geen instructies
Bij geld reserveren kunnen meevallers ontstaan door:
De aanschafprijs van goederen is lager dan geschat.
De gebruiksduur van goederen is langer dan geschat.
De restwaarde van goederen is hoger dan geschat.
Restwaarde: De prijs die een product na gebruik opbrengt.
Deze slide heeft geen instructies
Rekenen met reserveren:
Reservering per maand = (aanschafprijs - restwaarde - al gespaard bedrag) : gebruiksduur in maanden
Deze slide heeft geen instructies
Rekenen met reserveren:
Reservering per maand = (aanschafprijs - restwaarde - al gespaard bedrag) : gebruiksduur in maanden
Deze slide heeft geen instructies
Test jezelf paragraaf 4 & 5 maken voor morgen
Deze slide heeft geen instructies
Hoe ziet de les eruit:
Toets-trainingsspel
Opdrachten maken
Deze slide heeft geen instructies
Toets-trainingsspel:
De klas wordt verdeeld in 2 teams.
Elk team kiest een vraag te maken met hoofdstuk 3:
makkelijk = 1 punt, moeilijk = 2 punten, zeer moeilijk = 3 punten.
Goed antwoord? Team krijgt de punten.
Fout antwoord? Andere team mag het proberen.
Het team met de meeste punten wint.
minute
second
Deze slide heeft geen instructies
Test jezelf paragraaf 4 & 5 maken voor morgen
Deze slide heeft geen instructies