oefentoets H3

oefentoets H3 Energie
je mag de antwoorden van de open vragen typen of je schrijft op een papiertje en stuurt daarvan een foto in
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

oefentoets H3 Energie
je mag de antwoorden van de open vragen typen of je schrijft op een papiertje en stuurt daarvan een foto in

Slide 1 - Tekstslide

Welke stoffen zijn fossiele brandstoffen?
A
steenkool
B
aardgas
C
uranium
D
steen

Slide 2 - Quizvraag

In de condensor van een elektriciteitscentrale wordt water verhit, zodat er hete stoom ontstaat
A
waar
B
niet waar

Slide 3 - Quizvraag

de generatoren in een elektriciteitscentrale worden aangedreven door een turbine
A
waar
B
niet waar

Slide 4 - Quizvraag

in koeltorens bij een elektriciteitscentrale wordt hete stoom afgekoeld tot koelwater
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quizvraag

reken om:
0,25 kJ = ... J

Slide 6 - Open vraag

reken om:
3730 J = ... kJ

Slide 7 - Open vraag

De verbrandingswarmte van spiritus is 18 kJ/mL.

Hoeveel warmte ontstaat er als je 5 mL spiritus verbrandt?

Slide 8 - Open vraag

Welke energieomzetting vindt plaats in een windturbine?

Slide 9 - Open vraag

welke bewering is waar?
A
1 joule = 1 watt
B
1 joule = 1 watt per seconde
C
1 watt = 1 joule
D
1 watt = 1 joule per seconde

Slide 10 - Quizvraag

Bij een boerderij staat een windturbine met een maximaal elektrisch vermogen van 480 kW.

Bereken hoeveel elektrische energie de windturbine produceert, als hij een dag op vol vermogen werkt

Slide 11 - Open vraag

Iwan beweert: 'Als er genoeg wind waait, levert een windturbine het maximaal elektrisch vermogen.'
Niels beweert: 'Het maximaal elektrisch vermogen van een windturbine hangt af van de windsnelheid.'
Wie heeft of hebben gelijk?

Slide 12 - Open vraag

Hoe heet de energie in zonlicht?
A
chemische energie
B
stralingsenergie
C
warmte

Slide 13 - Quizvraag

welke energieomzetting vindt er plaats in een zonnecollector?

Slide 14 - Open vraag

Bekijk het schema met de energiestroom en de opbrengst van een zonnepaneel.
Welke energiesoort moet bij A staan?
A
chemische energie
B
elektrische energie
C
stralingsenergie
D
warmte

Slide 15 - Quizvraag

Bekijk het schema met de energiestroom en de opbrengst van een zonnepaneel.
Welke energiesoort moet bij B staan
A
chemische energie
B
elektrische energie
C
stralingsenergie
D
warmte

Slide 16 - Quizvraag

Het zonlicht dat op een zonnepaneel van 100 bij 20 cm valt, levert onder gunstige omstandigheden een vermogen van 200 W.
Hoe groot is het nuttig vermogen van zo'n zonnepaneel bij een rendement van 0,8% ?

Slide 17 - Open vraag

Als de zon schijnt, neemt een zonnepaneel een vermogen op van 4500 W. Het nuttig vermogen van het zonnepaneel is 1350 W.
Wat is het rendement van dit paneel?

Slide 18 - Open vraag

In Noorwegen staan veel grote waterkrachtcentrales.
In Nederland wordt waterkracht maar op kleine schaal gebruikt.
Hoe komt het dat waterkracht in Nederland maar op heel kleine schaal kan worden toegepast?
A
Nederlands heeft geen grote rivieren
B
Nederland heeft geen hoge bergen
C
Nederland heeft geen uitgestrekte meren
D
Nederland heeft geen lange zeekust

Slide 19 - Quizvraag

Henk heeft een antieke staartklok. Zo'n klok werkt op de zwaarte-energie van een metalen gewicht. Als Henk terugkomt na een paar weken vakantie, staat de klok stil. De klok begint weer te lopen nadat Henk het gewicht 1,4 m omhoog heeft getrokken. Het gewicht heeft een massa van 0,9 kg.
Bereken hoeveel zwaarte-energie (in J) het gewicht heeft na het omhoogtrekken. Neem g = 10 N/kg. Geef je antwoord in één cijfer achter de komma.

Slide 20 - Open vraag

welke energieomzetting vindt er plaats in een waterkrachtcentrale?

Slide 21 - Open vraag

Een albatros is een trekvogel die het grootse deel van zijn leven in de lucht boven de zee doorbrengt.
De massa van een albatros is 9,0 kg. Deze albatros speurt op een hoogte van 240 meter naar voedsel.
Bereken de zwaarte-energie (in kJ) die de albatros op dat moment heeft. Neem g = 10 N/kg.

Slide 22 - Open vraag

Een waterkrachtcentrale heeft een maximaal elektrisch vermogen van 650 MW en een rendement van 40%.

Hoeveel joule zwaarte-energie gebruikt de centrale per seconde als hij het maximale vermogen levert?
A
97,5MJ
B
650 MJ
C
975 MJ
D
1625 MJ

Slide 23 - Quizvraag

Door een waterkrachtcentrale stroomt in één seconde 1,3 m3 water naar beneden. Het hoogteverschil van het water voor en na het waterrad is 6,0 m.
1 m3 water heeft een massa van 1000 kg.
De waterkrachtcentrale levert een elektrisch vermogen van 46,8 kW.

Bereken de hoeveelheid opgenomen energie (in J) en het rendement van de waterkrachtcentrale.

Slide 24 - Open vraag