📘 Verwondersessie – Leerdoelen (LOR) §8.3 Overbrengingen
Je benoemt het verschil tussen een aandrijfwiel en een aangedreven wiel.
Je gebruikt correct de begrippen: tandwiel, katrol, riem, overbrengingsverhouding.
Je legt uit of een overbrenging versnelt of vertraagt.
Je past de formule voor de overbrengingsverhouding correct toe:
overbrengingsverhouding = tanden aangedreven / tanden aandrijfwiel
Je gebruikt de juiste eenheden en controleert of je uitkomst logisch is.
Je herkent situaties waarin overbrengingen worden toegepast (bijv. fiets, katrolsystemen).