cross

M3 Mening, argument en conclusie

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlandsvmbo g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 1 - Tekstslide

DOEL

- je weet (nog) wat signaalwoorden zijn

- je weet (nog) wat een feit is

- je weet (nog) wat een mening (standpunt) is

- je weet (nog) wat een argument (reden) is

- je weet wat een conclusie is

meningen, argumenten en conclusies d.m.v. signaalwoorden in een tekst herkennen

Slide 2 - Tekstslide

Wat zijn signaalwoorden?
A
Ze geven een signaal, zodat je weet waar je gebleven bent met lezen.
B
Ze geven aan wat voor soort tekst het is.
C
Ze geven aan met welk verband je te maken hebt.
D
Ze geven voor welk publiek de schrijver de tekst heeft geschreven.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een feit?
A
Een uitspraak over iets wat waar of niet waar is. Controleerbaar.
B
Een uitspraak over iets wat waar of niet waar is. Niet controleerbaar.

Slide 4 - Quizvraag

Wat is een mening (standpunt)?
A
Wat iemand ergens van vindt. Controleerbaar. Je bent het ermee eens.
B
Wat iemand ergens van vindt. Controleerbaar. Je bent het ermee oneens.
C
Wat iemand ergens van vindt. Niet controleerbaar. Je kunt er eens of oneens mee zijn.
D
Wat iemand ergens van vindt. Niet controleerbaar. Je kunt er niets van zeggen.

Slide 5 - Quizvraag

Wat is een argument (reden)?
A
Een uitleg waarmee je een feit verdedigt.
B
Een uitleg waarmee je een mening verdedigt.
C
Een uitleg waarmee je een reden verdedigt.
D
Iets wat je moet controleren.

Slide 6 - Quizvraag

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 7 - Tekstslide

In welke alinea('s) kun je de mening van de schrijver lezen?
A
alinea 1
B
alinea 2
C
in alinea 1 en 2

Slide 8 - Quizvraag

In alinea 2 staat 'Ik vind dat'.
Dit is een signaalwoord voor het geven van een mening.
Welke ander signaalwoord voor mening staat ook in alinea 2?

Slide 9 - Open vraag

De schrijver zegt: 'Ik vind dat de hond direct in beslag moet worden genomen'.

Welk argument (reden) geeft hij hiervoor?

Slide 10 - Open vraag

De schrijver zegt: 'Een pittig gesprek is volgens mij een slecht plan'.

Welk argument (reden) geeft hij hiervoor?

Slide 11 - Open vraag

Doe oortjes in

en bekijk het volgende filmpje!

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

FEIT

- Uitspraak over iets wat waar of niet waar is

- Een feit kan je controleren



Voorbeeld van een feit:

De helft van de veertienjarigen in Nederland krijgt €50,00 kleedgeld per maand.

Je kunt controleren of dit waar is door in de krant te kijken of het op internet op te zoeken.

Slide 14 - Tekstslide

MENING (STANDPUNT)

- Wat iemand ergens van vindt

Het is niet controleerbaar

-Je kunt het eens of oneens zijn

- signaalwoorden: ik vind, volgens mij, naar mijn mening...


Voorbeeld van een mening (standpunt):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen.

Slide 15 - Tekstslide

ARGUMENT (REDEN)

- Een argument is een uitleg waarmee je een mening verdedigt.

- Signaalwoorden: want, namelijk, omdat, immers...



Voorbeeld van een argument (reden):

Ik vind het goed dat jongeren kleedgeld krijgen (mening), want dan leren zij met geld omgaan (argument).

Slide 16 - Tekstslide

CONCLUSIE

- Als alle argumenten (redenen) zijn gegeven, kan er een conclusie volgen.

- Korte herhaling van meningen en argumenten.

-Signaalwoorden: dus, concluderend, dat betekent...



Voorbeeld van een conclusie:

Het is dus goed dat jongeren kleedgeld krijgen, want dan leren zij met geld omgaan.

Slide 17 - Tekstslide

Lees (en beluister) de tekst.

Slide 18 - Tekstslide

Wat is het onderwerp van de tekst?
A
Vivera
B
Natuur & Milieu
C
Wereldwijde voedselverdeling
D
Flexitariër

Slide 19 - Quizvraag

Wat voor soort tekst is de tekst?
A
advertentie
B
nieuwsbericht
C
reactie op een website

Slide 20 - Quizvraag

Wat is een flexitariër?

Slide 21 - Open vraag

Wat wil Natuur & Milieu bereiken met de campagne?

Slide 22 - Open vraag

Wat is de mening van Natuur & Milieu over de toename van het aantal felexitariërs?

Slide 23 - Open vraag

In alinea 2 staat dat het goed is om niet alle dagen vlees te eten. Welke drie argumenten worden daarbij genoemd?

Slide 24 - Open vraag

Welk argument staat in alinea 3 voor de mening van Natuur & Milieu?

Slide 25 - Open vraag

Waarom heeft een vleesloze dag in Nederland ook positieve gevolgen elders in de wereld?

Slide 26 - Open vraag

In alinea 4 staat een vergelijking. Noteer deze in eigen woorden.

Slide 27 - Open vraag

Waarom is het eten van minder vlees een simpele manier om milieubewust bezig te zijn?
Gebruik niet meer dan 15 woorden in je antwoord.

Slide 28 - Open vraag

Wat is het doel van de campagne van Natuur & Milieu?
A
je informeren over de campagne
B
je instrueren hoe je milieubewust kunt worden
C
je overhalen hoe je flexitariër kunt worden

Slide 29 - Quizvraag

Wat is het doel de tekst?
A
adviseren
B
informeren
C
overhalen

Slide 30 - Quizvraag

Wat betekent
campagne
in alinea 1?
A
een andere mogelijkheid
B
gezondheid
C
grote actie voor een bepaald doel
D
pilot

Slide 31 - Quizvraag

Wat betekent
alternatief
in alinea 1?
A
een andere mogelijkheid
B
gezondheid
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 32 - Quizvraag

Wat betekent
welzijn
in alinea 2?
A
pas geleden
B
gezondheid
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 33 - Quizvraag

Wat betekent
overmatige
in alinea 3?
A
pas geleden
B
te veel
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 34 - Quizvraag

Wat betekent
elders
in alinea 3?
A
pas geleden
B
proef
C
eten
D
op een andere plaats

Slide 35 - Quizvraag

Wat betekent
recentelijk
in alinea 4?
A
pas geleden
B
behoorlijk
C
eten
D
in de toekomst

Slide 36 - Quizvraag

Wat betekent
nuttigen
in alinea 4?
A
nodig zijn
B
behoorlijk
C
eten
D
in de toekomst

Slide 37 - Quizvraag

GELEERD? 

- je weet (nog) wat signaalwoorden zijn

- je weet (nog) wat een feit is

- je weet (nog) wat een mening (standpunt) is

- je weet (nog) wat een argument (reden) is

- je weet wat een conclusie is

meningen, argumenten en conclusies d.m.v. signaalwoorden in een tekst herkennen

Slide 38 - Tekstslide

Schrijf één ding op wat je deze les hebt geleerd en niet meer vergeet.

Slide 39 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 40 - Open vraag

GIDS NEDERLANDS
INFORMATIE VOOR LESSEN NEDERLANDS

Slide 41 - Tekstslide