NT2 GRAMMATICA voegwoorden

NT2 A2 voegwoorden
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

NT2 A2 voegwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voegwoorden
Voegwoorden voegen (plakken) twee zinnen aan elkaar.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Twee hoofdzinnen
Je kan 2 zinnen aan elkaar maken, met de voegwoorden:

Ik houd van appels. Ik houd niet van peren.
en                Ik houd van appels en ik houd niet van peren.

Ik houd van appels. Ik vind ze lekker fris.
want           Ik houd van appels want ik vind ze lekker fris.


Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik houd van appels. Ik houd niet van peren.
maar                Ik houd van appels maar ik houd niet van peren.
Ik houd van appels. Ik eet ze elke dag.
dus                   Ik houd van appels dus ik eet ze elke dag.
Ik ga naar school met de bus. Ik ga met de trein.
of                      Ik ga naar school met de bus of ik ga met de trein.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maar, want, dus, en, of
Maar: je praat over een tegenstelling
Ik wil fietsen, maar hij is gestolen.
Want: je geeft een reden
Ik wil fietsen, want het is mooi weer.
Dus: je praat over iets wat logisch is na wat is gebeurd
Ik wil fietsen, dus ik ga een fiets lenen.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maar, want, dus, en, of
En: je praat over 2 dingen
Ik wil fietsen en ik wil televisie kijken.
Of: je kunt kiezen tussen 2 dingen
Ik ga fietsen of ik ga televisie kijken.


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Omdat en als
Omdat en als zijn ook voegwoorden  MAAR: ze staan tussen een hoofdzin en een bijzin. In de bijzin staat het werkwoord, achteraan en het onderwerp op de eerste plaats.

Ik kan vandaag niet werken, omdat ik ziek ben.
Hij is moe, omdat hij veel sport.
Ik ga naar buiten, als het droog is.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Omdat
Omdat betekent hetzelfde als want. 
De zinsvolgorde is alleen anders (inversie).
Met omdat en want geef je een reden.
Je geeft antwoord op de vraag waarom?

Waarom ga je niet werken?                    Ik ga niet werken, want
Omdat ik ziek ben.                                      ik ben ziek.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als
Met als vertel je wanneer iets gebeurt.
Je geeft antwoord op de vraag wanneer?

Wanneer ga je naar buiten?
Als het droog is.
Wanneer gaan jullie naar Parijs?
Als het vakantie is.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Omdat
Je kunt de zin beginnen met omdat, niet met want. 
Omdat ik ziek ben, ga ik niet werken.  
Als ik ziek ben, ga ik niet werken.    
Ik ga niet werken, want ik ben ziek.            

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom ga je met de trein?
A
Want dan ben ik sneller.
B
Dus ik ben sneller.
C
Omdat ik dan sneller ben.
D
Als het vakantie is.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Vul het goede voegwoord in.
Ik drink geen koffie, .... wel thee.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 12 - Quizvraag

Antwoord B: maar.

Waarom ga jij naar school?
A
Omdat ik Nederlands wil leren.
B
Want ik wil Nederlands leren.
C
Omdat ik wil leren Nederlands.
D
Want ik Nederlands wil leren.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ik drink geen koffie, .... daar krijg ik maagpijn van.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 14 - Quizvraag

Antwoord C: want.
Wanneer ga jij naar school?
A
Dus neem ik de trein.
B
Als het weekend is voorbij.
C
Want ik wil Nederlands leren.
D
Als het weekend voorbij is.

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wil jij koffie ... chocolademelk?
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 16 - Quizvraag

Antwoord D: of.
Waarom draag jij een bril?
A
Omdat ik dan kan beter zien.
B
Omdat ik dan beter kan zien.
C
Want dan kan ik beter zien.
D
Als ik beter kan zien.

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Ik drink geen koffie ... ook geen chocolademelk.
A
en
B
maar
C
want
D
of

Slide 18 - Quizvraag

Antwoord A: en.

Vul het juiste voegwoord in.
Jean ... Peter gaan naar school.

Slide 19 - Open vraag

Antwoord: en.

De school is dicht, ... het is een vrije dag.

Slide 20 - Open vraag

Antwoord: want.
Wanneer bel je me?
A
Als de les is voorbij.
B
Want de les is voorbij.
C
Omdat de les voorbij is.
D
Als de les voorbij is.

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Zullen we gaan zwemmen ... zullen we gaan voetballen?

Slide 22 - Open vraag

Antwoord: of.

Maak van 2 zinnen 1 zin.
Jan drinkt koffie. Peter drinkt thee.

Slide 23 - Open vraag

Antwoord: Jan drinkt koffie en Peter drinkt thee.
Waarom zoek jij een baan?
A
Als ik klaar ben met school.
B
Als het zomer is.
C
Omdat ik geld wil verdienen.
D
Omdat ik wil geld verdienen.

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Maak van 2 zinnen 1 zin.
Wil je koffie? Wil je thee?

Slide 25 - Open vraag

Antwoord: Wil je koffie of wil je thee?
Wanneer gaan we op vakantie?
A
Morgen.
B
Over 2 weken.
C
Als het niet meer regent.
D
Als de school dicht is.

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

kaboom
Draai het rad. Maak een zin met het voegwoord dat je draait. Elke zin levert 1 punt op. Draai je KABOEM ...? Dan ben je al je punten weer kwijt. Wie heeft de meeste punten na 5 minuten?
timer
5:00

Slide 27 - Tekstslide

Draai aan het rad en maak een zin met het voegwoord dat naar boven komt. De timer staat op 5 minuten. Leuk om dit als spel met de hele klas te spelen met beurtstokjes.


Voegwoorden B1
Leerdoel: Je kent de betekenis van de voegwoorden. Je kunt de voegwoorden gebruiken. Je kunt goede zinnen ermee maken.  

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij elkaar?
oorzaak
gevolg
reden
voor het moment
doordat
zodat
omdat
voordat

Slide 29 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
Voordat de les afgelopen is, ga ik naar huis.
Nadat de les afgelopen is, ga ik naar huis. 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
Ik werd woedend, omdat hij moest lachen.
Ik werd woedend, zodat hij moest lachen.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik wacht op jou, _____ het tijd is.
A
doordat
B
totdat
C
voordat
D
nadat

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik wacht op jou, _____ we moeten gaan.
A
omdat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

___________ ik ga douchen, doe ik de kraan aan.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

___________ het dak lekte, werd de vloer helemaal vies.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
doordat

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik ging heerlijk op de bank liggen, ___________ ik thuisgekomen was.
A
voordat
B
totdat
C
zodat
D
nadat

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik sta hier, _______ jij mij ziet.
A
voordat
B
want
C
zodat
D
nadat

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort bij elkaar?
timer
1:00
gedurende de tijd dat
in de mate dat
als
maar niet als
<b>tegenstelling</b>
zolang
naarmate
mits
tenzij
hoewel
behalve

Slide 38 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, mits je een afspraak hebt gemaakt.
Je kunt naar het spreekuur van de dokter, tenzij je geen afspraak hebt gemaakt.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil?
Naarmate zij langer sprak, werd hij steeds bozer.
Hij werd steeds bozer, tenzij zij langer sprak.

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het geen lachfilm is.
A
behalve
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik houd niet van lachfilms. Ik ga daarom mee naar de film, ________ het een lachfilm is.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je mag autorijden, __________ je 18 bent.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je mag autorijden, __________ je nog geen 18 bent.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

________ het langer sneeuwde, werd het steeds witter.
A
zolang
B
naarmate
C
mits
D
tenzij

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

____________ het echt heel koud is, ga ik toch buiten koffie drinken.
A
aangezien
B
naarmate
C
hoewel
D
tenzij

Slide 46 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, tenzij

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, aangezien

Slide 48 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Kun je de zin afmaken?
Ik ga naar huis, hoewel

Slide 49 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Kun je de zin afmaken?
Ik zal je helpen, mits

Slide 50 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies