In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 45 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Welkom!
Boeken etc op tafel
Boeken open
Slide 1 - Tekstslide
Arbeid
Arbeid en Energie
Slide 2 - Tekstslide
opgave 19
1
totale energie, de wet van behoud van energie stelt dat de totale energie van een systeem constant is.
2
Zwaarte energie, deze is nul op zijn laagste punt en maximaal op zijn hoogste punt. Rond de 3 en 6 seconden wordt de trampoline geraakt,
3
Veer energie van de elastieken: deze is nul op het hoogste punt en maximaal op het laagste punt.
4
Bewegingsenergie, deze is namelijk nul op het hoogste punt en het laagste punt.
5
veer energie van de trampoline, deze is bijna altijd nul en maximaal op het laagste punt.
Slide 3 - Tekstslide
Arbeid
Arbeid is het omzetten van energie.
Dit gaat altijd door het uitoefenen van een kracht over een bepaalde afstand.
In formule vorm:
W=F•s
(arbeid=kracht x verplaatsing)
Slide 4 - Tekstslide
Arbeid
Als de kracht en de richting van de verplaatsing dezelfde kant op zijn dan is de arbeid positief.
Slide 5 - Tekstslide
Arbeid
Als de kracht en de richting van de verplaatsing dezelfde kant op zijn dan is de arbeid positief.
(Er komt energie bij)
Als de kracht en de richting van de verplaatsing tegengesteld zijn dan is de arbeid negatief.
(Er gaat energie uit)
Slide 6 - Tekstslide
Arbeid
Als de kracht en de richting van de beweging haaks op elkaar staan dan is de arbeid 0
Slide 7 - Tekstslide
Slide 8 - Tekstslide
Arbeid energie theorema
Een theorema is een een wiskundige stelling waarvan bewezen is dat deze waar is.
De verandering van de kinetische energie wordt veroorzaakt door een netto arbeid
ΣW=ΔEkin
Slide 9 - Tekstslide
Als een steen naar beneden valt dan is de arbeid van de zwaartekracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 10 - Quizvraag
Als een steen naar beneden valt dan is de arbeid van de wrijvingskracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 11 - Quizvraag
Als een steen naar omhoog beweegt dan is de arbeid van de zwaartekracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 12 - Quizvraag
Als een steen naar omhoog beweegt dan is de arbeid van de wrijvingskracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 13 - Quizvraag
Als Moos over een horizontale weg fietst is de arbeid van de zwaartekracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 14 - Quizvraag
Als Moos over een horizontale weg fietst is de arbeid van de spierkracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 15 - Quizvraag
Als Moos over een horizontale weg fietst is de arbeid van de wrijvingskracht:
A
positief
B
negatief
C
0
Slide 16 - Quizvraag
Arbeid
Krachten die gebruikt worden voor de voortstuwing leveren positieve arbeid.
Krachten die gebruikt worden om af te remmen leveren negatieve arbeid.
De wrijvingskracht levert (als hij er is) altijd negatieve arbeid. Want de wrijvingskracht is altijd tegen de beweging in.
Slide 17 - Tekstslide
Rekenen aan arbeid
De formule voor arbeid was:
W=F•s
Slide 18 - Tekstslide
Voorbeeld
Een steen (50 g) valt van 40 m hoogte naar beneden. De gemiddelde wrijvingskracht is 0,25 N.
Bereken de arbeid van de zwaartekracht.
Bereken de arbeid van de wrijvingskracht.
Slide 19 - Tekstslide
Voorbeeld
Fw=0,25 N
h=s=40 m
F en 's' hebben dezelfde richting dus +19,6J.
F en s hebben een tegengestelde richting dus -10J
Fz=m⋅g=0,05⋅9,81=0,4905N
WFz=Fz⋅s=0,4905⋅40=19,6j
WFw=Fw⋅s=0,25⋅40=10J
Slide 20 - Tekstslide
Voorbeeld 2
Een steen (50 g) wordt vanaf een hoogte van 10 m tot een hoogte van 15 m omhoog gegooid en valt daarna terug naar 0 m hoogte.
Bereken de arbeid van de zwaartekracht.
Slide 21 - Tekstslide
Voorbeeld 2
m=50 g => Fz=0,49 N
--> Δh=10 m... <--
Het gaat om Fz, dan is de verplaatsing belangrijk!
=> + 4,9 J
(Verplaatsing is in de richting van de kracht dus +)
WFz=Fz⋅s=0,49⋅10=4,9J
Slide 22 - Tekstslide
Oefenen
Bereken de arbeid die de wrijvingskracht (80 N) verricht op een fietser die 30 min lang met 18 km/h fietst.
Slide 23 - Tekstslide
uitwerking
F=80 N
s=v•t= 0,5 h x 18 km/h = 9 km
W Fw=F•s=80x9000=720 kJ
wrijvingskracht; dus F en s tegengesteld
-> -720 kJ
Slide 24 - Tekstslide
Oefenen 2
Piet heeft een marsreep gegeten (520 kJ) en gaat daarna fietsen met een snelheid van 24 km/h. Tijdens het fietsen oefent hij een spierkracht uit van 40 N.
Hoelang moet hij fietsen om de energie uit de reep te hebben opgebruikt?
Slide 25 - Tekstslide
Oefenen 2
E=W=520 kJ
v=24 km/h=6,67 m/s
F=40 N
W=F•s => s=W/F=520 000/40=13 000 m
t=s/v=13 000/6,67 = 1,95 ks (0,54 h)
Slide 26 - Tekstslide
Samenvatting
Arbeid is het omzetten van energie
De grootte bereken je met behulp van W=F•s
Als de kracht en de verplaatsing dezelfde kant op zijn is de arbeid positief. Zijn ze tegengesteld dan is de arbeid negatief. Staan ze haaks op elkaar dan is er geen arbeid door die kracht.
Slide 27 - Tekstslide
Wat is nog niet (helemaal) duidelijk van de afgelopen les en wil je het graag nog een keer over hebben?